ECLI:NL:RBMNE:2015:5690
Rechtbank Midden-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs mensenhandel ondanks indicaties van uitbuiting
De rechtbank Midden-Nederland behandelde de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van mensenhandel in de periode van januari tot juli 2012. De tenlastelegging betrof het werven, vervoeren, huisvesten en uitbuiten van arbeidsmigranten, waaronder een Roemeense aangever, met misbruik van hun kwetsbare positie en het oogmerk van uitbuiting.
Tijdens de terechtzittingen bracht de verdediging onder meer naar voren dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard vanwege vermeende misleiding van de aangever door de politie over de B9-regeling. De rechtbank verwierp dit verweer en verklaarde het OM ontvankelijk. De bewijsvoering was voornamelijk gebaseerd op de verklaringen van de aangever, die echter inconsistent en onbetrouwbaar werden bevonden.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen onvoldoende aanvullend bewijs boden om de uitbuitingssituatie wettig en overtuigend vast te stellen. Er was wel vastgesteld dat de aangever voor de groep travellers werkte en in een ongezonde caravan verbleef, maar dit was onvoldoende om mensenhandel te bewijzen. De rechtbank sprak verdachte vrij en verklaarde de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk, waarbij de schadevordering bij de burgerlijke rechter kon worden ingediend.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland op 14 juli 2015.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van mensenhandel.