Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
5.Beslissing
alleten laste gelegde feiten niet bewezen en
spreekt verdachte daarvan vrij.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van phishing, oplichting en diefstal van geldbedragen van verschillende bankrekeningen in de periode september tot oktober 2012. Verdachte werkte bij de bank en had klantgegevens van 14 van de 15 slachtoffers geraadpleegd, wat opvallend was.
De officier van justitie stelde dat verdachte deze gegevens had doorgegeven aan derden die de fraude pleegden, ondersteund door verklaringen van een getuige en interne onderzoeken. De verdediging betwistte dit, stelde dat de getuige onbetrouwbaar was, dat het raadplegen van gegevens binnen de werkzaamheden paste en dat er geen bewijs was dat verdachte de gegevens had doorgegeven of opzet had gehad. Ook werden pingberichten van een eerdere periode als niet-bruikbaar bewijs verworpen.
De rechtbank concludeerde dat het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte betrokken was bij de strafbare feiten of opzet had. De pingberichten waren van een eerdere datum dan de feiten en konden niet worden toegerekend aan verdachte. De vorderingen van de benadeelden werden daarom niet-ontvankelijk verklaard en verdachte werd vrijgesproken.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van betrokkenheid bij phishing en oplichting.