De Provincie Utrecht kondigde een Europese openbare aanbesteding aan voor de opdracht 'Fietsbrug en natuurverbinding Nigtevecht'. In het oorspronkelijke Kerndocument stond dat inschrijvingen via TenderNed moesten worden geüpload. Later wijzigde de Provincie dit via een Nota van Inlichtingen II, waarbij werd bepaald dat inschrijvingen fysiek moesten worden afgegeven bij de receptie van het provinciehuis.
Eiseres diende haar inschrijving echter digitaal via TenderNed in, waardoor deze in de digitale kluis terechtkwam. De Provincie liet de inschrijving buiten behandeling omdat deze niet aan de gewijzigde voorwaarden voldeed en het gelijkheidsbeginsel zich tegen een afwijkende behandeling verzette. Eiseres stelde dat zij in verwarring was gebracht door de wijziging en dat het niet in behandeling nemen onrechtmatig was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de wijziging rechtsgeldig was doorgevoerd en dat eiseres als een redelijk geïnformeerde inschrijver had moeten begrijpen dat fysieke indiening vereist was. Het gelijkheidsbeginsel verhinderde dat de inschrijving alsnog werd beoordeeld, omdat andere inschrijvers hun documenten fysiek moesten inleveren en daardoor geen ongerechtvaardigd voordeel mochten krijgen. De vordering werd afgewezen en eiseres werd veroordeeld in de proceskosten.