ECLI:NL:RBMNE:2015:1703
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters wegens vermeende vooringenomenheid
In deze wrakingszaak verzocht de advocaat van de verdachte om wraking van drie rechters van de meervoudige kamer in een strafzaak. Het verzoek was gebaseerd op het standpunt dat de rechtbank bij de beoordeling van een verzoek om getuigen te horen een onjuist criterium had gehanteerd en dat de afwijzing van het horen van getuigen zo onbegrijpelijk was dat de schijn van vooringenomenheid gerechtvaardigd zou zijn.
De rechtbank heeft het wrakingsverzoek inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat het niet aan de wrakingskamer is om de inhoudelijke juistheid van beslissingen van de rechtbank te toetsen; dit is voorbehouden aan hogere rechters. Daarnaast oordeelde de wrakingskamer dat de beslissing van de rechtbank niet zo onbegrijpelijk was dat dit wijst op vooringenomenheid. Er waren geen feiten of omstandigheden die objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid opleverden.
De wrakingskamer concludeerde dat de motivering van de rechtbank, hoewel summier, voldoende was en dat er geen aanwijzingen waren dat de beslissing was ingegeven door andere motieven zoals zittingscapaciteit. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en de hoofdzaak werd voortgezet in de stand waarin deze zich bevond.
De beslissing is genomen door de voorzitter en twee leden van de wrakingskamer en is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2015. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens het ontbreken van objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.