Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 9 maart 2015 in de zaak tussen
te [woonplaats], gezamenlijk te noemen: eisers
Procesverloop
[A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn namens verweerder verschenen [B], [C] en [D].
Overwegingen
Voor zover eisers hebben willen betogen dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het overgangsrecht van artikel 8.9 van de Wmo 2015, slaagt dat betoog niet. Nu verweerder in het bestreden besluit de bestaande indicatie voor 5,5 uur per week in stand heeft gelaten tot het moment dat de oude indicatie verloopt, te weten op 23 maart 2015, heeft hij gehandeld in lijn met het overgangsrecht waaruit volgt dat eerder toegekende rechten blijven voortduren na inwerkingtreding van de Wmo 2015. Dat het aantal uren waarvoor een pgb wordt verstrekt tot
23 maart 2015 niet wijzigt, leidt reeds tot het oordeel dat verweerder in dit geval geen inbreuk heeft gemaakt op een eigendom als bedoeld in artikel 1 Eerste Pro Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voor de periode na 23 maart 2015 hadden eisers immers nog geen recht op een voorziening. De beroepsgrond slaagt niet.
Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 3) is – kort weergegeven – de volgende toelichting gegeven.
Te veel vormen van ondersteuning die mensen ook zelf kunnen organiseren, worden uit de collectieve middelen betaald. De regering heeft ervoor gekozen om in te grijpen en daarmee de ondersteuning en zorg voor kwetsbare mensen in de toekomst veilig te stellen. Voor een deel van de mensen zal de verandering ertoe leiden dat zij zijn aangewezen op een meer algemeen of soberder voorzieningenniveau dan zij gewend waren. Ook zullen mensen te maken krijgen met ondersteuning van kortere duur, waarbij de ondersteuning meer dan nu gericht is op het aanleren van vaardigheden en zelfhulp.