Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
op tegenspraakgewezen op vordering van de officier van justitie op grond van artikel 36e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen:
Rechtbank Midden-Nederland
De officier van justitie vorderde op grond van artikel 36e, lid 4, Wetboek van Strafrecht, de vaststelling en betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €77.650,14 door verdachte [A]. Deze vordering is ingesteld na een strafzaak waarin verdachte werd verdacht van witwassen.
Op 30 januari 2015 heeft de rechtbank Midden-Nederland verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde witwassen. Door deze vrijspraak ontbreekt de wettelijke grondslag voor de ontnemingsvordering van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank heeft daarom de vordering van de officier van justitie afgewezen. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting. De griffier was niet in staat het vonnis mede te ondertekenen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af vanwege de vrijspraak van witwassen.