Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingslocatie Utrecht
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
- misbruik van omstandigheden resulterend in ongeoorloofde druk (en daarmee schending van het pressieverbod) bij het getuigenverhoor van[getuige 1], hetgeen ook blijkt uit het geluidsfragment van het verhoor van [getuige 1] dat op de zitting van 28 februari 2014 door de verdediging ten gehore is gebracht;
- de schending van de 'Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, verdachten en getuigen' (aanwijzing AVR);
- schending van de algehele beperkingen door de politie ten aanzien van [medeverdachte 1], resulterend in de voor verdachte belastende verklaring van [medeverdachte 1];
- de onrechtmatige verkrijging van het telefoonnummer van verdachte bij de voogd cq Bureau Jeugdzorg.
- [medeverdachte 1] wordt nog als verdachte aangemerkt. Dit is door de officier van justitie bevestigd.
- Ten aanzien van[getuige 1] kan worden vastgesteld dat hij is aangehouden voor het bezit van een (nep)vuurwapen. De rechtbank constateert dat dit feit weliswaar raakvlakken heeft met de feiten die verdachte [verdachte] zijn ten laste gelegd, maar hij is nooit formeel verdachte geweest in de aan verdachte [verdachte] ten laste gelegde feiten.
- De rechtbank stelt vast dat de getuigenverklaringen van[getuige 1] niet zijn afgenomen volgens de regelgeving welke is vastgelegd in de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten (AVR). De ten laste gelegde feiten betreffen misdrijven met een strafbedreiging van 12 jaar of meer. De rechtbank constateert dat de getuigenverklaringen van[getuige 1] in Houten en in Doorn niet auditief zijn geregistreerd en dat dat formeel wel had moeten gebeuren. Voorts constateert de rechtbank dat geen van de verklaringen van getuigen in deze zaak auditief zijn geregistreerd. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van doelbewust omzeilen of negeren van de aanwijzing AVR tijdens het getuigenverhoor van[getuige 1].
- De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van[getuige 1], ook na beluistering van voormeld geluidsfragment, niet is gebleken van de toepassing van ongeoorloofde druk.
- De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de politie reeds op de hoogte was van de inhoud van de tapgesprekken van de ouders van [medeverdachte 1] ten tijde van het bezoek van [X ], de moeder van [medeverdachte 1], aan haar zoon. Voorts is niet gebleken dat de politie doelbewust de regels dienaangaande heeft overtreden.
- De rechtbank is van oordeel dat de wet noch jurisprudentie voorschrijft dat de verschoningsgerechtigde voogd gewezen dient te worden op haar verschoningsrecht. De rechtbank neemt hierbij mede in overweging dat de voogd van Bureau Jeugdzorg een professional betreft die wordt geacht op de hoogte te zijn van haar rechten.
4.Waardering van het bewijs
5.Bewezenverklaring
6.De strafbaarheid van het feit
7.De strafbaarheid van verdachte
8.Motivering van de straffen en maatregelen
- de Pro Justitia rapporten van forensisch psychiater drs. H.A. Gerritsen d.d. 20 januari 2014 en (gezondheidszorg)psycholoog D. van Luijk d.d. 9 januari 2014, waaruit volgt dat verdachte een beneden gemiddeld intelligente jonge man is die tijdens zijn kinder- en tienerjaren ernstig affectief en pedagogisch is verwaarloosd. Er is bij verdachte sprake van een zich ontwikkelende antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken, een gedragsstoornis en een verslavingsproblematiek. Geadviseerd wordt om te starten met een klinische behandeling van waaruit gefaseerd wordt toegewerkt naar een resocialisatietraject richting begeleid/zelfstandig wonen, voorgaande in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel;
- een adviesrapportage van de Raad voor de Kinderbescherming van 25 februari 2014, opgesteld door M.M.E. Groenen, waarin wordt geadviseerd verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, met als bijzondere voorwaarden dat verdachte meewerkt aan de maatregel Hulp & Steun, ook als dit een tijdschema inhoudt, een behandeling bij Kade 17, een behandeling vanuit Victas en aan begeleiding vanuit NPT;
- het plan van aanpak van Bureau Jeugdzorg van 28 februari 2014, opgesteld door J. Dijkman, waarin de jeugdreclassering, gelet op de problematiek van verdachte een klinische behandeltraject, waarbij verdachte gefaseerd kan uitstromen naar een kamertrainingscentrum (KTC), vormgegeven in een voorwaardelijke PIJ-maatregel, de voorkeur geeft, maar dat er geen instelling in staat is gevonden om verdachte een passend behandelaanbod te bieden, hetgeen gelegen is in het persoonlijk functioneren van verdachte in combinatie met zijn leeftijd en cognitieve capaciteiten. Daarom adviseert de jeugdreclassering aan verdachte een voorwaardelijk PIJ-maatregel op te leggen met daarbij bijzondere voorwaarden conform het hierboven genoemde advies van de Raad voor de Kinderbescherming.
9.De benadeelde partijen
10.Toepasselijke wettelijke voorschriften
11.Beslissing
730 dagen.
437 dagen, van deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.