De werknemer trad in 2007 in dienst bij de kinderopvangonderneming als groepsleidster met een variabele arbeidsduur tussen 29 en 38 uur per week, vastgelegd in een min-max contract. In 2014 verlaagde de werkgever de uren vanwege teruglopend kinderaantal, waartegen de werknemer bezwaar maakte en loonbetaling vorderde over een hoger aantal uren.
De kantonrechter oordeelde dat het wettelijke rechtsvermoeden van een vaste arbeidsduur niet van toepassing was omdat het contract expliciet een flexibele arbeidsduur met minimum en maximum bevatte. De vermindering van uren was daarmee toegestaan. Daarnaast vorderde de werknemer loonverhoging en achterstallig salaris uit 2011 en latere jaren wegens vermeende onterechte weigering van salarisverhoging. Dit werd door de werkgever gemotiveerd weersproken.
Gezien de onduidelijkheid over de beoordeling van functioneren en het ontbreken van spoedeisendheid voor een voorlopige voorziening wees de kantonrechter ook deze vordering af. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis bevestigt dat flexibele arbeidsduurcontracten rechtsgeldig zijn en dat loonvorderingen uit het verleden in kort geding terughoudend worden beoordeeld.