Bastion c.s., bestaande uit vijf besloten vennootschappen die hotels exploiteren, stelde dat de Staat onrechtmatig had gehandeld door haar werknemers te dreigen met politie-inzet en verhoren op een politiebureau, en door werknemers privé te benaderen tijdens een inspectie van de Inspectie SZW.
De Staat betwistte deze beschuldigingen en voerde aan dat de civiele rechter niet bevoegd zou zijn en dat Bastion c.s. geen belang had bij de vorderingen. De rechtbank oordeelde dat de civiele rechter wel bevoegd is omdat de grondslag onrechtmatige daad is.
De rechtbank vond dat Bastion c.s. onvoldoende concreet bewijs had geleverd voor de dreigingen en de vermeende onvrijwillige verhoorlocaties. Ook het privé benaderen van werknemers was niet onrechtmatig onderbouwd. De stellingen werden als onvoldoende onderbouwd verworpen.
De rechtbank wees ook het beroep op een verzwaarde stelplicht af, omdat Bastion c.s. niet aannemelijk had gemaakt dat de Staat selectief informatie achterhield. De gevorderde verklaringen voor recht en verboden werden afgewezen en Bastion c.s. werd veroordeeld in de proceskosten.