ECLI:NL:RBMNE:2014:5791

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 november 2014
Publicatiedatum
14 november 2014
Zaaknummer
UTR 14/6005
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep en verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning reconstructie op- en afritten A1/N525 te Laren

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een verleende omgevingsvergunning voor de reconstructie van de op- en afritten ter plaatse van de A1 en de N525 te Laren. Tevens verzocht eiser om een voorlopige voorziening om de uitvoering van het project te voorkomen. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek gezamenlijk behandeld.

Eiser stelde vraagtekens bij de noodzaak, aard en ruimtelijke gevolgen van de reconstructie. De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was om af te wijken van het bestemmingsplan, omdat het bouwplan was voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Uit de ingebrachte rapporten bleek dat de huidige verkeersdruk leidt tot onvoldoende restcapaciteit, waardoor de reconstructie noodzakelijk is. Tevens viel de toename van geluid en fijnstof binnen de wettelijke normen.

De belangen van omwonenden zijn zorgvuldig afgewogen tegen de noodzaak van de reconstructie. Gezien de spoedeisendheid en het feit dat de aanbesteding bijna was afgerond, werd het verzoek om voorlopige voorziening behandeld, maar uiteindelijk afgewezen omdat nader onderzoek niet zou bijdragen aan de beoordeling. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 14/6005
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 november 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker
(gemachtigden: mr. J.H.C. Ariës en A.S.B. Bijvoet)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laren, verweerder
(gemachtigde: W. Verbeek)
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
de provincie Noord Holland, te Haarlem, gemachtigde: mr. A.F.P. van Mierlo, D.J.M. Janmaat, R.A. Kramer, P.R. Vos, J.A.M. van Wijk en W. Derksen).

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de Provincie Noord-Holland een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten handelen in strijd met regels van ruimtelijke ordening, bouwen en uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, ter plaatse van de Hilversumseweg/N525 te Laren.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen
Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening zijn gezamenlijk behandeld ter zitting op 30 oktober 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partij is verschenen bij zijn gemachtigden.
Na afloop van de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In de zaken zal afzonderlijk uitspraak worden gedaan.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Met betrekking tot het spoedeisend belang heeft verzoeker in zijn verzoekschrift naar voren gebracht dat de beroepstermijn op 3 november 2014 eindigt, waarna de verleende omgevingsvergunning in beginsel onherroepelijk is en vergunninghouder op korte termijn met (voorbereiding van) de werkzaamheden zal kunnen starten.
3. Ter zitting heeft vergunninghouder toegelicht dat de aanbesteding van het project nagenoeg is afgerond en dat hij zo spoedig als mogelijk met de (voorbereidende) werkzaamheden wil beginnen, zodat deze voor aanvang van het broedseizoen kunnen worden voltooid. Gelet op deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter spoedeisend belang aanwezig.
4. Na afloop van de zitting, waarbij zowel het verzoek om voorlopige voorziening als het beroep inhoudelijk zijn behandeld, is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op grond van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechtbank heden dan ook uitspraak gedaan op het beroep, bij deze rechtbank bekend onder procedurenummer 14/6006.
5. Gelet op het in die uitspraak overwogene ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. R. in 't Veld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.T. Timmerman-Roosjen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2014.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.