ECLI:NL:RBMNE:2014:4791

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 oktober 2014
Publicatiedatum
9 oktober 2014
Zaaknummer
16/801005-14 (P)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3a lid 5 OpiumwetArt. 11 lid 4 Opiumwet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs verkoop van hasj

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 9 oktober 2014 de zaak tegen een 26-jarige verdachte die werd verdacht van het verkopen en vervoeren van een hoeveelheid hasjiesj. Het onderzoek vond plaats over meerdere zittingen in 2014, waarbij verdachte zich liet bijstaan door een advocaat.

De tenlastelegging betrof het opzettelijk buiten Nederland brengen, verkopen, afleveren, verstrekken of aanwezig hebben van een hoeveelheid hasjiesj van circa 433 gram. De officier van justitie vorderde bewezenverklaring van de verkoop van hasj, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte.

De rechtbank stelde vast dat verdachte contact had met een medeverdachte over hasj en dat verdachte een plastic tas met een op hasj gelijkende substantie afleverde. Het Nederlands Forensisch Instituut kon echter slechts van één monster bevestigen dat het hasjiesj betrof; de andere monsters leken er slechts op. Hierdoor kon de rechtbank niet met wettige overtuiging vaststellen dat verdachte daadwerkelijk drugs leverde.

Gezien het ontbreken van overtuigend bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer onder voorzitterschap van R.P. den Otter.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat de geleverde substantie hasj betrof.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht
Parketnummer: 16/801005-14 (P)
Vonnis van de meervoudige strafkamer van 9 oktober 2014
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [1988] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres
[adres], [woonplaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2014, 25 augustus 2014, 22 september 2014, 23 september 2014 en 25 september 2014. De verdachte is op 11, 23 en 25 september 2014 in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. J. Verstegen, advocaat te Utrecht.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Op 4 oktober 2013 tezamen en in vereniging met een ander een hoeveelheid hasjiesj buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans een hoeveelheid hasjiesj heeft verkocht, afgeleverd en verstrekt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren in die zin dat verdachte een hoeveelheid hasjiesj heeft verkocht. Van uitvoer van verdovende middelen heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank concludeert op basis van de stukken in het dossier dat verdachte gebeld heeft met medeverdachte [medeverdachte] over hasj of hasjiesj. Kort na een daaropvolgend telefoongesprek waarin verdachte zegt “ik heb wat voor je” heeft het observatieteam waargenomen dat verdachte met een plastic tas in zijn hand de woning van medeverdachte [medeverdachte] binnengaat en kort daarna weer verlaat. Ruim een half uur later ziet het observatieteam dat medeverdachte [medeverdachte] iets in de kofferbak van een auto laadt en met de auto wegrijdt. Medeverdachte [medeverdachte] wordt kort daarna aangehouden.
In de auto waarin medeverdachte [medeverdachte] op 4 oktober 2013 rijdt, worden twee enveloppen met daarin bruine plakken aangetroffen. Van drie van deze plakken is een monster verzonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (hierna te noemen: NFI). Het NFI heeft geconcludeerd dat één monster hasjiesj betreft, maar van de andere twee monsters heeft het NFI dat niet kunnen concluderen en opgemerkt dat het materiaal het uiterlijk van hasjiesj heeft.
Op grond van de stukken in het dossier stelt de rechtbank vast dat verdachte op verzoek van medeverdachte [medeverdachte] een hoeveelheid van een op hasjiesj gelijkende substantie of een hoeveelheid hasjiesj heeft geleverd. Verdachtes verklaring ter zitting dat het enkel een monster van minder dan 1 gram betrof, acht de rechtbank gelet op de inhoud van het dossier niet aannemelijk. Echter, of het daadwerkelijk hasjiesj was, kan de rechtbank gelet op de conclusies van het NFI niet vaststellen.
De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat het wettig en overtuigend bewijs voor het ten laste gelegde ontbreekt en zal verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde.

5.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mrs. P.J.M. Mol en V. van Dam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 oktober 2014.
BIJLAGE: De tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 4 oktober 2013, te Woerden, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een hoeveelheid hasjiesj (te weten een hoeveelheid van ongeveer 433 gram), in
elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast
mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan
geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens
het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (te weten
naar Duitsland), al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 Opiumwet Pro, en/of
opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of
afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig
heeft gehad;
art 3 ahf Pro/ond A Opiumwet
art 11 lid 4 Opiumwet Pro