ECLI:NL:RBMNE:2014:4527

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 september 2014
Publicatiedatum
26 september 2014
Zaaknummer
C-16-373331 - JE RK 14-1686
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:261 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens onvoldoende duidelijkheid plaatsingstermijn

De minderjarige is onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg Utrecht (BJZ) tot 16 september 2015. BJZ verzocht om verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing voor een jaar vanwege ernstige zorgen over de thuissituatie, waaronder conflicten tussen ouders en zorgen over het gedrag en de veiligheid van de minderjarige.

Tijdens de zitting lichtte BJZ toe dat de verschillende opvoedingsstijlen van de ouders en de spanningen in het gezin de ontwikkeling van de minderjarige belemmeren. De ouders erkenden fouten uit het verleden maar gaven aan dat de situatie verbetert en dat zij de problemen binnen het gezin willen oplossen zonder uithuisplaatsing.

De kinderrechter oordeelde dat de uithuisplaatsing niet noodzakelijk is in het belang van de minderjarige. Omdat BJZ niet kon aangeven binnen welke termijn een plaatsing bij Intermezzo mogelijk is, biedt verlenging van de machtiging geen oplossing voor de huidige problemen. Daarom werd het verzoek afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is afgewezen omdat plaatsingstermijn onduidelijk is en geen oplossing biedt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht
locatie Utrecht
Machtiging uithuisplaatsing
Zaak-/rolnummer: C/16/373331 / JE RK 14-1686
Beschikking van de kinderrechter d.d. 12 september 2014 met betrekking tot de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [2000] te [geboorteplaats],
nader te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt naast de verzoeker als belanghebbenden aan:
- [vader],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de vader,
- [moeder],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de moeder.
Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door beide ouders..

1.Verloop van de procedure

1.1.
[minderjarige] is onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht (hierna te noemen: BJZ). De ondertoezichtstelling loopt tot 16 september 2015.
1.2.
BJZ heeft op 16 juli 2014 een verzoekschrift met bijlagen ingediend, strekkende tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de periode van één jaar.
1.3.
Het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling, het daarbij behorende hulpverleningsplan alsmede het indicatiebesluit zijn bij het verzoekschrift overgelegd.
1.4.
De kinderrechter neemt kennis van een brief van de ouders, d.d. 5 september 2014.
1.5.
Op 8 september 2014 heeft BJZ een aangepast verzoekschrift overgelegd, waarin met betrekking tot de verzochte machtiging uithuisplaatsing in het petitum ‘verlenging’ is vervangen door ‘verlening’.
1.6.
Op 12 september 2014 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden. Bij de behandeling zijn verschenen:
  • de vader,
  • de moeder,
  • mevrouw H.M. Lont, gezinsvoogd en vertegenwoordiger namens BJZ.
[minderjarige] is buiten de aanwezigheid van de overige belanghebbenden gehoord.
2. Vaststellingen en overwegingen
2.1.
Mevrouw Lont heeft ter zitting, namens BJZ, het verzoek toegelicht en daarbij het volgende naar voren gebracht. De ouders hanteren twee verschillende opvoedingsstijlen en hebben daar regelmatig conflicten over. De onderlinge verwijten daarover zorgen voor veel spanningen en belemmeren de ontwikkeling van [minderjarige]. [minderjarige] vertoont zelfbepalend gedrag en lijkt de spanningen in de thuissituatie te ontlopen. Bovendien zijn er zorgen over onder meer de uitspraken die [minderjarige] op school heeft gedaan, [minderjarige] schoolprestaties en dat [minderjarige] van drank wordt voorzien door een jongen die hij via internet kent. Op dit moment zijn alle gezinsleden structureel overbelast en zijn de verschillende opvoedingsstijlen ingesleten in het gezin. Volgens BJZ zou het goed zijn wanneer dit patroon doorbroken wordt door [minderjarige] tijdelijk uit huis te plaatsen. Op die manier kunnen problemen in de thuissituatie opgelost worden en kan [minderjarige] tot rust komen.
2.2.
De ouders hebben ter zitting het volgende medegedeeld dat zij niet achter het verzoek van BJZ staan. Zij erkennen dat zij in het verleden fouten hebben gemaakt, maar zijn zich daar nu van bewust. Het gaat de laatste tijd beter en de ouders hebben zich voorgenomen beter naar elkaar te luisteren, afspraken te maken en zich daar aan te houden. De ouders zijn dan ook van mening dat [minderjarige] thuis kan blijven wonen.
2.3.
Op grond van de verkregen informatie is de kinderrechter van oordeel dat gelet op het bepaalde in artikel 1:261, lid 1, Burgerlijk Wetboek, de uithuisplaatsing van [minderjarige] niet noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
2.4.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Hoewel er sprake is van ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] acht de kinderrechter het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing niet in het belang van [minderjarige]. Zowel [minderjarige] als ouders verzetten zich tegen uithuisplaatsing en hebben aangegeven hun best te willen doen om in gezinsverband de problemen op te lossen. De ouders erkennen dat zij bepaalde zaken onderschat hebben en te weinig hebben geluisterd naar elkaar en naar de kinderen. Ter zitting heeft de gezinsvoogd niet kunnen aangeven op welke termijn [minderjarige] bij Intermezzo geplaatst zou kunnen worden. Dat betekent dat een machtiging op dit moment dan ook geen oplossing voor de huidige zorgen biedt. De kinderrechter zal het verzoek dan ook afwijzen.

3.Beslissing

De kinderrechter wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, en ter openbare terechtzitting van 12 september 2014 uitgesproken in tegenwoordigheid van J.T. Maalderink, griffier.
Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen
drie maandenna de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen
drie maandenna betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.