Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[veroordeelde],
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker, verblijvend in een forensisch psychiatrisch centrum, diende een wrakingsverzoek in tegen de voorzitter en een lid van de wrakingskamer, stellende dat er sprake was van belangenverstrengeling vanwege de betrokkenheid van de rechter bij de Oostvaarderskliniek, de tegenpartij in zijn strafzaak.
De rechtbank overwoog dat de rechter weliswaar tot september 2012 voorzitter was van de Commissie van Toezicht en beklagcommissie van de Oostvaarderskliniek, maar dat zij verzoeker nooit persoonlijk heeft ontmoet en dat dit lidmaatschap geen reden vormt om aan haar onafhankelijkheid te twijfelen. De rechtbank stelde dat het wrakingsprotocol geen ondertekening van de schriftelijke reactie eist en dat de reactie betrouwbaar was.
Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek werd benadrukt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid. De rechtbank vond geen persoonlijke vooringenomenheid of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Ook het feit dat de rechter lid was van de toezichtscommissie, die een onafhankelijke positie heeft, was onvoldoende om onpartijdigheid in twijfel te trekken.
Daarom wees de rechtbank het wrakingsverzoek af, en droeg zij op de beslissing aan alle betrokkenen en derden te zenden. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige wrakingskamer onder voorzitterschap van L.E. Verschoor-Bergsma op 22 juli 2014.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor onpartijdigheid.