Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure.
- het tussenvonnis van 30 december 2013;
- het proces-verbaal van comparitie van 16 april 2014.
Rechtbank Midden-Nederland
Partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn in 2003 gescheiden, waarbij zij hun huwelijk omzetten in een geregistreerd partnerschap dat in 2004 eindigde. Tijdens het huwelijk bouwde de man pensioen op bij ABP en de vrouw bij Aegon en PGGM. De vrouw ontving kleine pensioenen van PGGM en Aegon die volgens de wet en de gemaakte afspraken niet verevend hoeven te worden.
De man vorderde alsnog de helft van deze kleine pensioenen, stellende dat partijen alles gelijkelijk wilden verdelen en dat cumulatie van kleine pensioenen tot verevening zou moeten leiden. De vrouw verweerde zich met het wettelijk uitgangspunt dat kleine pensioenen niet worden verevend vanwege de administratieve rompslomp.
De kantonrechter oordeelde dat partijen de standaardregeling uit de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding hebben gevolgd, waarin kleine pensioenen zijn uitgesloten van verevening. Uit de communicatie tussen partijen blijkt geen afwijkende afspraak. De vordering van de man wordt daarom afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot verevening van kleine pensioenen wordt afgewezen en de eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.