Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- de pleitnota van [verzoekster]
- de mondelinge behandeling.
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een diëtiste bij een gespecialiseerde GGZ-instelling vanwege bedrijfseconomische omstandigheden. De werkgever verzocht de ontbinding omdat de organisatie financieel zwaar onder druk staat door dalende vergoedingen en lage productiviteit. De werknemer, tevens lid van de ondernemingsraad, voerde verweer dat het ontslag verband hield met haar OR-lidmaatschap en dat de bedrijfseconomische gronden onvoldoende waren onderbouwd.
De kantonrechter oordeelde dat het ontbindingsverzoek geen verband hield met het OR-lidmaatschap, mede omdat ook andere OR-leden bleven en de werkgever plausibele redenen gaf voor de keuze. De bedrijfseconomische situatie werd als voldoende aannemelijk beschouwd, ondanks enkele onzekerheden over eerdere jaarstukken. Het afspiegelingsbeginsel was correct toegepast en de keuze voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de werknemer was niet onredelijk.
De kantonrechter wees het verzoek tot toekenning van een ontbindingsvergoeding af vanwege de financiële situatie van de werkgever, maar nam het verzoek van de werknemer tot een herintredingsvoorwaarde over. Deze voorwaarde werd niet in het dictum opgenomen vanwege het karakter van de ontbindingsprocedure. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 1 augustus 2014 en de proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 augustus 2014 zonder ontbindingsvergoeding, met een herintredingsvoorwaarde.