De bank verzocht de voorzieningenrechter om goedkeuring van de onderhandse verkoop van een woonhuis aan [B] B.V. tegen een koopsom van €66.175,-, terwijl de getaxeerde executiewaarde tussen €70.000,- en €80.000,- lag. De bank had een opeisbare hypotheekvordering van circa €250.000,- op de eigenaar, [belanghebbende].
De voorzieningenrechter constateerde dat de koopsom lager was dan de laagste executiewaarde, wat normaal gesproken tot afwijzing van het verzoek zou leiden, omdat een onderhandse verkoop een hogere opbrengst moet genereren dan een openbare executoriale veiling. Echter, gezien de geringe afwijking en het belang van de hypotheekgever en bank om een zo hoog mogelijke opbrengst te realiseren, en het ontbreken van bezwaren van de belanghebbende, werd het verzoek toch toegewezen.
De rechter stelde vast dat de executie met inachtneming van de wettelijke formaliteiten was geschied en dat er geen feiten of omstandigheden waren die aan de goedkeuring van de onderhandse verkoop in de weg stonden. De beschikking werd uitgesproken op 16 juli 2014 door de voorzieningenrechter.