Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 15 januari 2014;
- het proces-verbaal van de comparitie van 28 februari 2014, de daaraan gehechte productie en de aantekeningen van de griffier.
Rechtbank Midden-Nederland
Partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn gescheiden, waarbij in een boedelscheidingsconvenant een schuld aan DSB Bank aan de gedaagde werd toebedeeld. De gedaagde volgde een buitengerechtelijk schuldsaneringstraject en kreeg finale kwijting van DSB voor een deel van de schuld. De eiseres betaalde echter een deel van de schuld en vordert regresbetaling van de gedaagde.
De kantonrechter stelt vast dat de finale kwijting die DSB aan de gedaagde verleende geen wettelijke basis heeft om de regresvordering van de eiseres te blokkeren, omdat deze kwijting niet aan haar is verleend en zij niet betrokken was bij de rechtshandeling. De wettelijke regeling van de schone lei uit de Wsnp is niet analoog toepasbaar op buitengerechtelijke schuldsanering.
De gedaagde kon niet aannemelijk maken dat naleving van het convenant onaanvaardbaar is op grond van redelijkheid en billijkheid. Ook de verrekening met kinderalimentatie leidt niet tot afwijzing van de regresvordering. De kantonrechter veroordeelt de gedaagde tot betaling van de door de eiseres betaalde bedragen en wijst het meer of anders gevorderde af.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de door eiseres betaalde bedragen en toekomstige betalingen zonder verrekening.