Uitspraak
1.Deprocedure
2.De beoordeling
€ 62,12) voor de periode van 1 juli 2011 tot en met 8 oktober 2013, en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 28 april 2014 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen verdachte, die veroordeeld is voor medeplegen van handel in cocaïne. De rechtbank baseert de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de bewezenverklaarde periode van 8 oktober 2010 tot en met 8 oktober 2013.
Uit het politieonderzoek blijkt dat verdachte gemiddeld 1 gram cocaïne per afname verkocht voor €40, met gemiddeld 14,68 contacten per dag. De totale omzet wordt berekend op €644.158,40, waarvan de rechtbank de kosten schat op 50%, resulterend in een netto voordeel van €322.079,20. Vanwege wettelijke beperkingen wordt het voordeel voor de periode vóór 1 juli 2011 op 25% gesteld.
De rechtbank stelt het totaal te ontnemen bedrag vast op €263.506,00, waarvan €19.524,40 voor de periode 8 oktober 2010 tot 30 juni 2011 en €243.919,48 voor de periode daarna. De vordering wordt verder afgewezen. Verweerpunten van de verdediging, zoals onduidelijkheid over de hoeveelheid cocaïne per afname en draagkracht, worden verworpen wegens onvoldoende onderbouwing.
Uitkomst: De rechtbank legt een ontnemingsvordering van €263.506,- op aan verdachte wegens medeplegen van handel in cocaïne.