ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ9790
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.W.G. de Beer
- L.M.G. de Weerd
- P.P.C.M. Waarts
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na verrekening met toegewezen schade
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 8 mei 2013 een ontnemingszaak waarin de officier van justitie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel had ingediend. Het voordeel werd aanvankelijk geschat op €150.290,00, bestaande uit twee bedragen. De verdediging weersprak de vordering niet.
Uit het vonnis van de meervoudige kamer bleek dat verdachte was veroordeeld voor afdreiging en dat de benadeelde partij een schadevergoeding van €149.810,00 was toegekend. Volgens artikel 36e, achtste lid, van het Wetboek van Strafrecht moet bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel de aan benadeelde derden toegekende vorderingen in mindering worden gebracht.
Na verrekening van de toegekende schade met het geschatte voordeel stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op nihil. Daarom wees de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot ontneming af. De procedure werd gevoerd in aanwezigheid van de officier van justitie en de raadsman van verdachte.
De uitspraak bevestigt de toepassing van wettelijke regels omtrent ontneming en de verrekening van schadevorderingen, waardoor ontneming niet mogelijk was ondanks bewezen strafbaar feit.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming af omdat het wederrechtelijk verkregen voordeel nihil is na verrekening met toegekende schade.