ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ5549
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Pandrecht op beëindigingsvergoeding en inventarisvergoeding na faillissement
De zaak betreft een geschil tussen curatoren van een failliete vennootschap en FGH Bank over de toekomende rechten op een beëindigingsvergoeding, inventarisvergoeding en schikkingsbedrag na voortijdige beëindiging van een huurovereenkomst en verkoop van een onroerende zaak.
De rechtbank onderzocht of FGH Bank op grond van artikel 3:229 BW Pro een pandrecht had op deze vergoedingen. Hoewel FGH aannemelijk maakte dat door leegstand sprake was van waardevermindering van het pand, en daarmee een pandrecht op de beëindigingsvergoeding kon ontstaan, was het pandrecht teniet gegaan doordat de beëindigingsvergoeding door de huurder op de boedelrekening van de curatoren was betaald zonder mededeling aan FGH.
Ook voor de inventarisvergoeding en het schikkingsbedrag oordeelde de rechtbank dat, indien al een pandrecht was ontstaan, dit was komen te vervallen door levering van de inventaris aan de curatoren. De vergoedingen behoren derhalve toe aan de curatoren.
FGH werd veroordeeld in de proceskosten en haar vorderingen werden afgewezen. De rechtbank wees tevens de subsidiaire stelling van FGH over een pandrecht op grond van de Algemene Bepalingen af, omdat deze was verlaten.
Uitkomst: De beëindigingsvergoeding, inventarisvergoeding en het schikkingsbedrag komen toe aan de curatoren; het pandrecht van FGH Bank is door betaling aan de curatoren teniet gegaan.