ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ3942
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring wegens overschrijding redelijke termijn in poging tot doodslag
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 26 februari 2013 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van poging tot doodslag op 27 maart 2010. De zaak kende een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, doordat het dossier op 7 december 2010 bij het parket binnenkwam en pas op 31 juli 2012 werd gedagvaard, zonder tussentijdse onderzoeksacties.
De verdediging voerde aan dat deze overschrijding tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moest leiden, mede omdat verdachte in 2011 al voor een vergelijkbaar feit was veroordeeld en het thans ten laste gelegde feit toen ook had kunnen worden behandeld. Het openbaar ministerie stelde dat overschrijding niet tot niet-ontvankelijkheid leidt, maar meegenomen kan worden in de strafmaat.
De rechtbank oordeelde dat de overschrijding van ruim 140 dagen geheel aan het openbaar ministerie te wijten was en dat bijzondere omstandigheden, waaronder de eerdere veroordeling van verdachte voor een soortgelijk feit en de ernst van het ten laste gelegde, het belang van goede procesorde en de redelijke termijn prevaleerden boven het belang van vervolging. Daarom werd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard.
De tenlastelegging betrof poging tot doodslag, met subsidiaire tenlasteleggingen poging tot zwaar lichamelijk letsel en mishandeling met een mes. De rechtbank stelde vast dat de dagvaarding geldig was en dat zij bevoegd was de zaak te behandelen. De uitspraak werd gewezen door de meervoudige strafkamer onder voorzitterschap van mr. J.P.H. van Driel van Wageningen.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn.