ECLI:NL:RBMNE:2013:3701

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 september 2013
Publicatiedatum
10 september 2013
Zaaknummer
2258003 UC EXPL 13-12598 WV(4208)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 147 lid 1 RvArt. 93 Rv oudArt. 93 Rv nieuwArt. XXII lid 1 Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie (Stb. 2011,255)Wet Herziening Gerechtelijke Kaart
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid kantonrechter bij verzet tegen verstekvonnis handelskamer

In deze zaak gaat het om een verzetprocedure tegen een verstekvonnis van de handelskamer van de rechtbank Utrecht uit 2007. De verzetprocedure is aangebracht bij de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, maar het verstekvonnis is gewezen door de enkelvoudige kamer van de sector handels- en familierecht van de rechtbank Utrecht.

De kantonrechter onderzoekt of hij bevoegd is kennis te nemen van het verzet. Gelet op het overgangsrecht na de opheffing van de rechtbank Utrecht per 1 januari 2013, is de rechtbank Midden-Nederland bevoegd. Vervolgens wordt beoordeeld of de kantonrechter of de handelskamer van de rechtbank Midden-Nederland bevoegd is. Omdat het verstekvonnis een vordering van meer dan €5.000 betreft, die in 2007 tot de handelskamer behoorde, en het verzet de instantie heropent, moet het verzet volgens het oude recht bij de handelskamer worden ingediend.

De kantonrechter is daarom voornemens de zaak te verwijzen naar de handelskamer en stelt partijen in de gelegenheid zich hierover uit te laten. Het vonnis wordt uitgesproken door kantonrechter A.R. Creutzberg op 9 september 2013.

Uitkomst: De kantonrechter verwijst de verzetzaak naar de handelskamer van de rechtbank Midden-Nederland wegens gebrek aan bevoegdheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht
kantonrechter
zittinghoudende te Utrecht
zaaknummer: 2258003 UC EXPL 13-12598 WV(4208)
Vonnis van 9 september 2013
inzake
de besloten vennootschap
met beperkte aansprakelijkheid
Defam Financieringen B.V.,
gevestigd te Bunnik,
verder ook te noemen Defam,
gedaagde partij in het verzet,
oorspronkelijk eisende partij,
gemachtigde: Schuman Incasso & Gerechtsdeurwaarders
tegen:
[gedaagde],
wonende te[woonplaats],
verder ook te noemen[gedaagde],
eisende partij in het verzet,
oorspronkelijk gedaagde partij,
gemachtigde: mr. M.M. Dezfouli.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verstekvonnis van 4 juli 2007 van de sector handels- en familierecht van de rechtbank Utrecht met kenmerk 227741/HA ZA 07-554
  • de verzetdagvaarding van 2 augustus 2013 (aan te merken als de conclusie van antwoord)
  • het uitroepen van de zaak op 2 september 2013.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De overwegingen van de kantonrechter

2.1.
De onderhavige verzetprocedure is aangebracht bij de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, terwijl het verstekvonnis waarop het verzet betrekking heeft, is gewezen door de enkelvoudige kamer van de sector handels- en familierecht van de rechtbank Utrecht. Het is derhalve de vraag of de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland bevoegd is van het verzet kennis te nemen.
2.2.
Uit het stelsel van de wet (en in het bijzonder het feit dat de instantie door het verzet wordt "heropend" (art. 147 lid 1 Rv Pro)) vloeit voort dat het verzet moet worden aangebracht bij de rechter die het verstekvonnis heeft gewezen. In dit geval is dat de enkelvoudige kamer van de sector handels- en familierecht van de rechtbank Utrecht. Die instantie bestaat evenwel sinds 1 januari 2013 niet meer. De rechtbank Utrecht is per 1 januari 2013 als gevolg van de Wet Herziening Gerechtelijke Kaart (Wet HGK) opgegaan in de rechtbank Midden-Nederland. Het overgangsrecht (art. CIV Wet HGK) brengt mee dat verzet tegen een beslissing van de rechtbank Utrecht moet worden ingesteld bij de rechtbank Midden-Nederland. In zoverre is de rechtbank Midden-Nederland dus bevoegd om van het verzet kennis te nemen.
2.3.
Vervolgens dient beoordeeld te worden of het verzet dient te worden behandeld en beslist door de kantonrechter of door de handelskamer van de Afdeling Civiel recht van de rechtbank Midden-Nederland. Het verstekvonnis van 4 juli 2007 waarop het verzet ziet, betreft een vordering van meer dan € 5.000,-- (namelijk € 11.110,24, vermeerderd met rente en kosten). In 2007 behoorde een dergelijke vordering tot de competentie van de sector die niet tot de sector kanton behoorde (artikel 93 Rv Pro oud), terwijl een dergelijke vordering met ingang van 1 juli 2011 onder de bevoegdheid van de kantonrechter is komen te vallen (artikel 93 Rv Pro nieuw). Het overgangsrecht terzake houdt in dat op de behandeling van en de rechterlijke bevoegdheid ten aanzien van kantonzaken die vóór het tijdstip van inwerkingtreding aanhangig waren, het recht zoals het gold vóór dat tijdstip, van toepassing blijft (artikel XXII lid 1 Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie (Stb. 2011,255)).
2.4.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter brengt het feit dat het verzet de instantie “heropent”, mee, dat op haar bevoegdheid artikel 93 Rv Pro oud van toepassing is. Dit betekent dat het verzet had moeten worden aangebracht bij de kamer die binnen de rechtbank Midden-Nederland andere zaken dan kantonzaken behandelt, dat wil zeggen: de handelskamer.
2.5.
De kantonrechter is daarom voornemens deze zaak overeenkomstig artikel 71 Rv Pro te verwijzen naar de rolzitting van de enkelvoudige handelskamer van de afdeling Civiel recht van deze rechtbank, in welk geval partijen verder alleen bij advocaat kunnen procederen en[gedaagde] griffierecht verschuldigd is.
2.6.
Alvorens daartoe te beslissen zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over dit voornemen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1
verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 23 september 2013 te 9.30 uur, waar[gedaagde] zich schriftelijk dient uit te laten omtrent hetgeen onder 2 is overwogen;
3.2
Defam zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om daarop (binnen twee weken nadien) schriftelijk te reageren;
3.3
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2013.