Uitspraak
RECHTBANK Utrecht
1.De stukken
- het afschrift van het vonnis van deze rechtbank d.d. 15 oktober 2012, waarbij de veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht;
- een afschrift van het besluit van het Openbaar Ministerie van 28 maart 2013, waarbij aan de veroordeelde te kennen is gegeven (in persoon betekend op 29 maart 2013) dat de veroordeelde zich met ingang van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling op 3 mei 2013 heeft te houden aan de bij wet gestelde algemene voorwaarde, zijnde het niet plegen van een strafbaar feit, en dat hij zich met ingang van voornoemde datum gedurende een proeftijd van 57 dagen heeft te houden aan de volgende bijzondere voorwaarden:
- een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 57 dagen van de officier van justitie van 31 mei 2013;
- een melding verzoek tot beoordeling van Reclassering Nederland d.d. 28 mei 2013 waaruit blijkt dat de veroordeelde heeft nagelaten zich binnen 2 werkdagen na invrijheidstelling te melden bij Reclassering Nederland en ook op het moment van opstellen van de melding is geen contact tot stand gekomen tussen Reclassering Nederland en de veroordeelde, waardoor het onmogelijk gebleken is om uitvoering te geven aan het reclasseringstoezicht.