Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingslocatie Utrecht
op tegenspraakgewezen in de zaak tegen:
1.De voorvragen
2.De tenlastelegging
3.De relevante wetgeving
2. Burgemeester en wethouders volgen bij hun oordeel of een onderwijsvoorziening een school is als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3, een door de inspectie van het onderwijs ter zake gegeven advies.
3. Indien Onze Minister naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 14 van Pro de Wet op het onderwijstoezicht, aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de school is gevestigd adviseert dat de school niet langer voldoet aan de criteria die gelden voor een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3, dan volgen burgemeester en wethouders dit advies en oordeelt dat de school niet langer een school is als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3
4.De bewezenverklaring
te bewijzendat de school wel een school in de zin van artikel 1.b. onder 3 Lpw 1969 is, reeds het zaaien van enige twijfel aan het Inspectierapport is voldoende om vrijspraak te bewerkstelligen.
juisthet formuleren van leerdoelen door een ander dan het lerende kind zelf in strijd is met het wezen van deze school. [3]
€ 250,--(vijfhonderd euro), bij niet betaling te vervangen door hechtenis van 5 dagen,
die in handen van de kantonrechter op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed/belofte aflegt zijn/haar taak als tolk naar zijn/haar geweten te zullen vervullen. Al hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen is door voornoemde tolk vertolkt.