Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
5.De vorderingen tot tenuitvoerlegging
6.Beslissing
BIJLAGE: De tenlastelegging
Rechtbank Midden-Nederland
Op 29 april 2013 vond een inbraak plaats in een woning te Utrecht. Verdachte werd ervan verdacht samen met een ander de woning te hebben betreden of te hebben geprobeerd dit te doen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening. Tijdens de terechtzitting op 28 juni 2013 heeft de rechtbank kennisgenomen van de standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging.
De officier van justitie achtte de poging tot diefstal wettig bewezen, terwijl de verdediging ontkende dat verdachte betrokken was bij de inbraak. De rechtbank oordeelde dat hoewel er aanwijzingen waren, zoals telefoontjes tussen verdachte en medeverdachte, het ontbreken van technisch bewijs en het ontkennen door verdachte onvoldoende waren om tot een veroordeling te komen.
De rechtbank stelde vast dat verdachte voldeed aan het signalement en dat zijn persoonlijke eigendommen bij de medeverdachte werden aangetroffen, maar vond dit niet voldoende voor een wettige bewijsvoering. De verdachte werd daarom vrijgesproken. Tevens werden de vorderingen tot tenuitvoerlegging afgewezen omdat verdachte niet schuldig was bevonden aan een nieuw strafbaar feit.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van inbraak en poging tot inbraak.