Verdachte werd verdacht van het bezit van 39 kinderpornografische films op zijn laptop in de periode van juni 2008 tot februari 2010. De officier van justitie stelde dat verdachte de enige gebruiker was van de laptop toen het materiaal werd geplaatst en dat het bewijs overtuigend was. De verdediging voerde aan dat de laptop ook door anderen werd gebruikt en zelfs gestolen was, waardoor het materiaal mogelijk door derden geplaatst kon zijn.
De rechtbank oordeelde dat de dagvaarding partieel nietig was vanwege onvoldoende feitelijke omschrijving van enkele beelden. Tevens vond de rechtbank dat het alternatieve scenario van de verdediging, waarbij de laptop gestolen was en het materiaal door anderen kon zijn geplaatst, niet was weerlegd. Hierdoor kon niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte het strafbare feit had gepleegd.
Hoewel het strafbare feit van bezit van kinderpornografisch materiaal vaststond, werd verdachte vrijgesproken. Wel werd de laptop, waarop het materiaal was aangetroffen, ontrokken aan het verkeer conform de wet. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland op 1 juli 2013.