ECLI:NL:RBMID:2012:BY8405

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
28 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/133
Instantie
Rechtbank Middelburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2007Art. 20, eerste lid, Algemene wet inzake rijksbelastingenAfdeling 8.2.6 Algemene wet bestuursrechtArt. 27d Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen vrijstelling parkeerbelasting door onzichtbare parkeervergunning achter voorruit

Belanghebbende parkeerde op 7 december 2011 zijn auto op een parkeerplaats waar betaald parkeren geldt of een parkeervergunning vereist is. Bij controle bleek dat er geen geldig betaalbewijs of zichtbare parkeervergunning aanwezig was. Hoewel belanghebbende in het bezit was van een geldige parkeerschijfvergunning, was deze niet duidelijk zichtbaar achter de voorruit geplaatst, zoals de voorwaarden voorschrijven.

De rechtbank oordeelt dat het niet zichtbaar aanbrengen van de vergunning betekent dat er niet geparkeerd is met een geldige vergunning. Hierdoor is de naheffingsaanslag terecht opgelegd op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Belanghebbende stelde dat de sanctie onbedoeld en oneigenlijk werd toegepast en dat het parkeerbeleid onredelijk was, maar de rechtbank vond geen aanleiding om het beleid of de voorwaarden te toetsen, noch om de naheffingsaanslag te vernietigen.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter M.M. de Werd op 28 september 2012.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de parkeervergunning niet zichtbaar achter de voorruit was aangebracht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 12/133
Uitspraakdatum: 28 september 2012
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats X],
de heffingsambtenaar.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de heffingsambtenaar van 6 januari 2012 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting (aanslagnummer [nummer]).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2012 te Middelburg.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, ter bijstand vergezeld van zijn echtgenote, [echtgenote] en namens de heffingsambtenaar, [gemachtigde].
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Gronden
2.1. Op 7 december 2011 omstreeks 10.08 stond belanghebbendes auto, merk Volkswagen met kenteken [kenteken] geparkeerd op een parkeerplaats aan [adres] te [plaats X]. Deze locatie is door de burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats X] (hierna: het college) op grond van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2007, voor het jaar 2011 gewijzigd bij raadsbesluit van 11 november 2010, (hierna: de Verordening),aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting of met een parkeer(schijf)vergunning mag worden geparkeerd.
2.2. Bij een controle op voormelde datum en voornoemd tijdstip is door een parkeercontroleur geconstateerd dat er geen geldig betaalbewijs of geldige parkeervergunning zichtbaar aanwezig was. Naar aanleiding hiervan is aan belanghebbende een naheffingsaanslag van € 47,10 opgelegd, bestaande uit € 1,10 parkeerbelasting en € 46 kosten van de naheffingsaanslag.
2.3. Vaststaat dat belanghebbende in het bezit was van een geldige parkeerschijfvergunning voor de periode van 28 februari 2011 tot en met 20 januari 2012, afgegeven op het in 2.1 vermelde kenteken.
2.4. In geschil is of de onderhavige naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
2.5. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat hij in het bezit is van een geldige parkeerschijfvergunning.
2.6. Op grond van artikel 11 van Pro de Verordening heeft het college de bevoegdheid nadere regels te stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de parkeerbelasting. Ter zitting is aannemelijk geworden dat in de aan de parkeerschijfvergunning verbonden voorwaarden is opgenomen dat de vergunning duidelijk zichtbaar en leesbaar achter de voorruit moet zijn aangebracht.
2.7. Vast staat dat de vergunning niet zichtbaar achter de voorruit was geplaatst. Voorts is aannemelijk dat na inspectie van het voertuig, gelet op de normale werkwijze van de parkeercontroleurs, de vergunning ook niet op een andere zichtbare plaats is aangetroffen. Belanghebbende heeft derhalve niet voldaan aan de aan de vergunning verbonden voorschriften. Naar het oordeel van de rechtbank is er in dat geval geen sprake van parkeren met een vergunning (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1997, LJN AA3336). Belanghebbende heeft dus geparkeerd zonder de daarvoor verschuldigde parkeerbelasting te hebben voldaan en zonder te hebben voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling van die betalingsverplichting. Nu uit artikel 20, eerste lid van de AWR volgt dat kan worden nageheven indien de verschuldigde parkeerbelasting niet is betaald, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. In de door belanghebbende in zijn pleitnotitie aangehaalde beslissingen van andere rechters ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.
2.8. Voorts heeft belanghebbende gesteld, naar de rechtbank begrijpt, dat sprake is van onbedoelde en oneigenlijke toepassing van de toegepaste sancties nu hij wel in het bezit is van een geldige vergunning. Hierdoor worden volgens belanghebbende de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Voor zover belanghebbende hiermee heeft willen stellen dat het parkeerbeleid of de aan de parkeerschijfvergunning verbonden voorwaarden onredelijk zijn overweegt de rechtbank als volgt. Het parkeerbeleid en de aan de parkeerschijfvergunning verbonden voorwaarden zijn voorbehouden aan het college en de rechtbank treedt niet in dit beleid tenzij de grenzen der redelijkheid worden overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in het onderhavige geval geen sprake.
2.9. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.
2.10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 28 september 2012 door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T.A. Mandemakers, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 8 oktober 2012
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.