ECLI:NL:RBMID:2011:BP3909

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
19 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
74532 / HA ZA 10-371
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid rechtbank bij geschil over advocatendeclaratie

In deze civiele procedure vordert eiseres betaling van openstaande advocatendeclaraties van gedaagden. Gedaagde sub 2 betwist de vordering en voert aan dat de declaraties ter begroting aan de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten hadden moeten worden voorgelegd, waardoor de rechtbank onbevoegd zou zijn.

De rechtbank onderzoekt of er daadwerkelijk een geschil bestaat over de hoogte van de declaratie zoals bedoeld in artikel 32 van Pro de Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken. Uit de correspondentie blijkt dat gedaagde sub 2 de omvang van de vordering niet betwist, maar slechts opmerkingen maakt over de wijze van behandeling en mogelijke schade.

De rechtbank concludeert dat er geen geschil is over de hoogte van de declaraties en dat de procedure via de Raad van Toezicht niet vereist is. De exceptie van onbevoegdheid wordt daarom afgewezen. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden in afwachting van de hoofdzaak.

De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor verdere behandeling. Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en op 19 januari 2011 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank wijst de exceptie van onbevoegdheid af en verklaart zich bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

Uitspraak

zaaknummer / rolnummer: 74532 / HA ZA 10-371
Vonnis in incident van 19 januari 2011
in de zaak van
de maatschap [eiseres],
gevestigd te 's-Gravenhage,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. N.P.J.M. Kreté- Marres te ‘s-Gravenhage,
tegen
1. [gedaagde sub 1],
wonende te Middelburg,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 2],
gevestigd te Middelburg,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat mr. M.W. Dieleman te Middelburg.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en gedaagden gezamenlijk [gedaagden] worden genoemd.
De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord tevens incidentele conclusie houdende exceptie van
onbevoegdheid
- conclusie van antwoord in het incident
- akte uitlaten producties in het incident.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
De feiten.
[eiseres] vordert in de hoofdzaak om [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van € 7.401,35 ter zake van openstaande declaraties, vermeerderd met de wettelijke rente en tot betaling van een bedrag van € 700,00 ter zake van buitengerechtelijke kosten met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.
[eiseres] stelt daartoe dat [eiseres] werkzaamheden voor [gedaagde sub 1] dan wel [gedaagde sub 2] B.V. heeft verricht en [gedaagden] weigert de met betrekking tot de werkzaamheden verzonden declaraties te betalen.
Het geschil
[gedaagde sub 2] stelt dat zij de vordering op 21 april 2010 inhoudelijk heeft betwist, welke betwisting ook betrekking heeft op de omvang van de vordering. [gedaagde sub 2], althans [gedaagden] voert aan dat [eiseres] de procedure van artikel 32 en Pro verder van de Wet Tarieven in burgerlijke Zaken had dienen te volgen en de declaraties ter begroting aan de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten – verder de Raad van Toezicht – voorgelegd hadden moeten worden. De rechtbank dient zich volgens [gedaagde sub 2], althans [gedaagden] dus onbevoegd te verklaren.
[eiseres] betwist dat de rechtbank onbevoegd zou zijn om van de vordering kennis te nemen. Volgens [eiseres] dient de zaak alleen als er een geschil is over de door de advocaat in rekening gebrachte uren ter begroting aan de Raad van Toezicht te worden voorgelegd. Er is volgens [eiseres] tijdens de relatie met [gedaagde sub 1], althans [gedaagde sub 2], nooit een geschil geweest over de hoogte van de verstuurde declaraties, die volgens [eiseres] steeds waren vergezeld van een specificatie van de verrichte werkzaamheden, of over de verrichte werkzaamheden.
De beoordeling in het incident
Ingevolge artikel 32 Wet Pro Tarieven in Burgerlijke Zaken geschiedt in die gevallen waarin tussen een advocaat en (voormalig) cliënt sprake is van een geschil met betrekking tot de hoogte van de declaratie de begroting van de declaratie door de Raad van Toezicht.
Voor de beoordeling van het geschil in het incident is dus van belang of door [gedaagden], althans [gedaagde sub 2], de omvang van de vordering wordt betwist.
Ter onderbouwing van het standpunt van [gedaagden], althans [gedaagde sub 2], dat de omvang van de vordering wordt betwist wordt verwezen naar het e-mailbericht van [gedaagde sub 2] van 21 april 2010 aan naar de rechtbank aanneemt GGN Zeeland, Gerechtsdeurwaarders en incassospecialisten.
In dit mailbericht deelt [gedaagde sub 2] allereerst mee dat de vordering niet voor haar bestemd is en dat het bedrag moet worden verminderd met de bijdragen inzake gefinancierde rechtshulp. Voorts maakt [gedaagde sub 2] opmerkingen omtrent de wijze waarop [eiseres] de zaak behandeld zou hebben en deelt zij mee dat de daardoor ontstane schade door haar advocaat zal worden gevorderd. Ook deelt [gedaagde sub 2] mee nooit originele facturen te hebben ontvangen, indien dat wel het geval zou zijn geweest zouden die volgens [gedaagde sub 2] door haar accountant zijn geprotesteerd. Het door mevrouw [mevrouw] op de declaraties betaalde bedrag van € 2.000,00 eist zij als onverschuldigd betaald op.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet sprake is van een geschil met betrekking tot de hoogte van de declaratie. Aangezegd wordt slechts dat indien en voor zover schade zou zijn geleden door de wijze van procederen door [eiseres] deze op haar zal worden verhaald. Niet wordt het bedrag van de declaratie betwist met een beroep op matiging in verband met de afloop van het geschil.
Ook de omstandigheid dat [gedaagden] geen specificaties van de diverse declaraties zou hebben ontvangen, hetgeen door [eiseres] overigens gemotiveerd wordt betwist, en zij de hoogte van de declaraties niet heeft kunnen controleren terwijl zij vermoedt dat die niet juist zijn, kan niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een geschil omtrent de hoogte van de declaraties van [eiseres]. De rechtbank zal de vordering zich onbevoegd te verklaren om van de vordering kennis te nemen derhalve afwijzen.
Ten aanzien van de proceskostenveroordeling in dit incident overweegt de rechtbank dat in beginsel [gedaagden] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten dienen te worden veroordeeld.
Bij conclusie van antwoord tevens incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid betwist [gedaagde sub 1] dat [eiseres] met hem in privé een overeenkomst is aangegaan. Hij vordert dan ook primair dat de rechtbank [eiseres] in haar vordering ten aanzien van hem niet ontvankelijk verklaart dan wel de vordering afwijst.
De beoordeling van dit verweer dient plaats te vinden in de hoofdzaak. Indien en voor zover zou komen vast te staan dat [gedaagde sub 1] geen partij is bij de overeenkomst heeft dat tot gevolg dat hij ook niet in de proceskosten van dit incident veroordeeld dient te worden.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de beslissing op de proceskostenveroordeling in dit incident aanhouden.
De beslissing
De rechtbank
in het incident
- wijst de vordering af;
- houdt de beslissing voor wat betreft de proceskosten aan;
in de hoofdzaak
- verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 16 februari 2011 voor het nemen van de
conclusie van repliek door [eiseres];
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2011.