ECLI:NL:RBMID:2010:BP1976
Rechtbank Middelburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geschil over stamrechtverplichting en pensioenaanspraken na echtscheiding met beperkte middelen vennootschap
In deze civiele zaak staat de verdeling van een stamrechtverplichting en pensioenaanspraken na echtscheiding centraal. De stamrechtverplichting is ondergebracht in een vennootschap van de gedaagde, die onvoldoende vermogen heeft om het volledige pensioen uit te keren. De rechtbank bevestigt dat de waarde van de aandelen reeds in de boedelverdeling is betrokken, waardoor een verdere verdeling van het stamrecht niet wordt toegewezen.
De pensioenrechten moeten echter wel worden verdeeld, zoals ook is vastgelegd in eerdere afspraken van partijen en bevestigd door het hof. De rechtbank stelt vast dat het pensioen naar evenredigheid van de aanspraken verdeeld moet worden, aangezien de vennootschap niet over voldoende middelen beschikt. Dit voorkomt dat alleen de gedaagde de nadelen draagt, wat niet redelijk zou zijn.
De rechtbank wijst erop dat de door de eiseres gewenste conversie niet mogelijk is vanwege het ontbreken van medewerking van de gedaagde. Verder wordt vastgesteld dat na beëindiging van het dienstverband in 1992 geen verdere pensioenopbouw heeft plaatsgevonden. Omdat de berekeningen van de gedaagde niet steeds uitgaan van de juiste ingangsdatum, wordt de zaak verwezen naar de rol voor nadere berekening en afhandeling. De eiseres heeft recht op storting van het bedrag van haar aanspraken bij een verzekeringsmaatschappij, zodat zij controle heeft over de uitkeringen.
Uitkomst: De rechtbank wijst verdere verdeling van het stamrecht af en bepaalt dat pensioen naar evenredigheid moet worden verdeeld vanwege onvoldoende middelen in de vennootschap.