ECLI:NL:RBMID:2010:BL0196
Rechtbank Middelburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens niet-gestuitte verjaring van bankvordering
Finata Bank vorderde betaling van een schuld van [gedaagde], waarbij zij stelde dat de verjaring van de vordering steeds tijdig was gestuit door diverse schriftelijke aanmaningen en dagvaardingen. De rechtbank heeft Finata Bank opgedragen bewijs te leveren van het stuiten van de verjaring volgens art. 3:317 lid 1 BW Pro.
Finata Bank bracht een akte en enkele producties in, waaronder een dagvaarding van 29 maart 1993, maar kon niet alle brieven overleggen die zij als stuitende handelingen aanvoerde. De rechtbank oordeelde dat de brief van 20 januari 1992 niet in het geding was gebracht en dat de dagvaarding niet ondubbelzinnig het recht op nakoming van de volledige vordering voorbehoudt.
Verder kon Finata Bank niet aantonen dat de brieven van 1998 en 2001 daadwerkelijk waren verzonden en ontvangen. De interne aantekeningen van het gerechtsdeurwaarderskantoor waren onvoldoende bewijs. Hierdoor is niet komen vast te staan dat de verjaring tijdig is gestuit. De rechtbank concludeerde dat de verjaringstermijn op 26 oktober 1989 is gaan lopen en dat binnen vijf jaar geen stuitende handelingen zijn verricht.
Daarom wijst de rechtbank de vordering af en veroordeelt Finata Bank in de proceskosten, die aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op EUR 1.530,00. Het vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en op 13 januari 2010 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af omdat de verjaring niet tijdig is gestuit.