ECLI:NL:RBMID:2009:BL5557

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
16 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
181918
Instantie
Rechtbank Middelburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 BWArt. 1:441 BWRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid Intrum Justitia wegens ontbreken bewindvoerder in procedure

De kantonrechter heeft vastgesteld dat ten aanzien van [partij X] een beschermingsbewind ex art. 1:431 BW Pro is uitgesproken. Intrum Justitia vordert betaling van openstaande facturen, maar heeft nagelaten de bewindvoerder van [partij X] als partij in het geding te betrekken. Hoewel Intrum Justitia stelt dat de overeenkomst vóór de onderbewindstelling is gesloten, oordeelt de kantonrechter dat de bewindvoerder formeel partij had moeten zijn volgens art. 1:441 BW Pro, omdat deze de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt.

Intrum Justitia heeft de gevraagde stukken, waaronder de overeenkomst en facturen, niet in het geding gebracht en heeft geen onderbouwing gegeven waarom haar algemene voorwaarden geen oneerlijk beding bevatten conform Richtlijn 93/13/EEG. De kantonrechter verklaart Intrum Justitia niet-ontvankelijk in haar vordering wegens het niet betrekken van de bewindvoerder.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De overige stellingen behoeven geen verdere beoordeling. Het vonnis is gewezen door kantonrechter C. Kool en uitgesproken op 16 november 2009.

Uitkomst: Intrum Justitia wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betrekken van de bewindvoerder in de procedure.

Uitspraak

Uitspraak
zaak/rolnr.: 09-1371 blad 2
RECHTBANK MIDDELBURG
Sector kanton
Locatie Middelburg
zaak/rolnr.: 181918/09-1371
vonnis van de kantonrechter d.d. 16 november 2009
inzake
de besloten vennootschap
Intrum Justitia Nederland B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
eisende partij,
verder te noemen: Intrum Justitia,
gemachtigde: PVU Gerechtsdeurwaarders,
t e g e n :
[X],
wonende te [adres],
gedaagde partij,
verder te noemen: [partij X],
in persoon.
het verloop van de procedure
De procedure is als volgt verlopen:
- dagvaarding van 25 februari 2009,
- mondeling antwoord,
- conclusies van repliek,
- mondelinge toelichting,
- tussenvonnis van 24 augustus 2009,
- nadere conclusies of akten.
de verdere beoordeling van de zaak
1. De kantonrechter handhaaft hetgeen is overwogen en beslist bij het tussenvonnis. De inhoud van dat vonnis moet als hier ingelast worden beschouwd. De kantonrechter heeft in dat vonnis geconstateerd dat ten aanzien van [partij X] een beschermingsbewind ex art. 1:431 BW Pro is uitgesproken en heeft Intrum Justitia verzocht aan te geven, nu [partij X] zich op die onderbewindstelling beroept, wat de uitgesproken onderbewindstelling voor gevolgen heeft voor haar vordering jegens [partij X], zulks gelet op art. 1:441 BW Pro. De kantonrechter heeft daarbij gewezen op het arrest van het gerechtshof Leeuwarden d.d. 14 september 2006, NJF 2007, 237 en het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 24 april 2008, NJF 2008, 263. De kantonrechter heeft verder overwogen dat, indien Intrum Justitia haar vordering tegen [partij X] handhaaft, zij in ieder geval ook in het geding dient te brengen de onderhavige overeenkomst en de facturen, waarvan betaling wordt gevorderd en ook dient aan te geven waarom haar algemene voorwaarden geen oneerlijk beding bevatten in de zin van Richtlijn nummer 93/13/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
2. Intrum Justitia heeft een akte genomen en daarbij de gevraagde stukken niet in het geding gebracht. Wel heeft zij onder meer gesteld dat de overeenkomst met [partij X] is gesloten voordat de onderbewindstelling is uitgesproken, zodat de bewindvoerder niet behoefde te worden gedagvaard. Met [partij X], die overigens betwist dat de overeenkomst tussen partijen is gesloten voordat de onderbewindstelling van kracht is geworden, is de kantonrechter echter van oordeel dat Intrum Justitia ten onrechte niet de bewindvoerder ter zake van de onderhavige vordering in het geding heeft betrokken. De vordering heeft betrekking op de zaken die behartigd moeten worden door de bewindvoerder, die krachtens art. 1:441 BW Pro bij de uitoefening van zijn taak tijdens het bewind de rechthebbende [partij X] in en buiten rechte vertegenwoordigt. Intrum Justitia had dan ook de bewindvoerder als formele procespartij moeten dagvaarden, of alsnog in het geding moeten betrekken, maar heeft dit nagelaten. Intrum Justitia zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De overige stellingen van partijen behoeven dan ook geen verdere beoordeling.
3. De kantonrechter acht termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren.
DE BESLISSING
De kantonrechter:
verklaart Intrum Justitia niet-ontvankelijk in haar vordering;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kool, kantonrechter, en uitge¬spro¬ken ter open¬bare terechtzitting van 16 november 2009, in tegenwoordigheid van de grif¬fier.