ECLI:NL:RBMID:2007:BB0070

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
18 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/715436-06(minderjarig)
Instantie
Rechtbank Middelburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Seksueel misbruik binnen een afhankelijkheidsrelatie door een oom van het slachtoffer

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Middelburg op 18 juli 2007, stond de verdachte terecht voor seksueel misbruik van zijn nichtjes. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een afhankelijkheidsrelatie, zoals vereist door de beleidsregels voor opsporing en vervolging van seksueel misbruik. De verdachte, die in de tenlastegelegde periode minderjarig was, werd beschuldigd van meerdere feiten, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam van een minderjarige. De rechtbank oordeelde dat de aangifte niet op geluidsband was opgenomen, maar dat dit niet leidde tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De rechtbank sprak de verdachte vrij van enkele tenlastegelegde feiten, maar achtte de bewezenverklaring van andere feiten wel gerechtvaardigd. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte kreeg een werkstraf van 100 uur opgelegd, met de mogelijkheid van vervangende jeugddetentie indien deze niet naar behoren werd verricht. Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding afgewezen, omdat deze niet eenvoudig genoeg was voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank besloot dat de benadeelde partij haar vordering alleen bij de burgerlijke rechter kon indienen. Het vonnis werd uitgesproken door een meervoudige kamer, bestaande uit drie rechters, en de griffier was aanwezig.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG
Sector strafrecht
meervoudige kamer
Parketnummers: 12/715436-06
Datum uitspraak: 18 juli 2007
Tegenspraak
------------------------------------------------
Datum inverzekeringstelling: 19 december 2006
Datum voorlopige hechtenis: 22 december 2006
Schorsing voorlopige hechtenis: 22 december 2006
------------------------------------------------
V O N N I S
van de rechtbank Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum- en plaats],
wonende te [adres],
ter terechtzitting verschenen.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. W.R. Aerts, advocaat te Vlissingen.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging
Van de zijde van de verdachte is een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens het niet voldoen aan de beleidsregels “aanwijzing, opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik”, met name zijn in strijd met deze beleidsregels de aangiften van de slachtoffers niet op band opgenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank geven de beleidsregels “aanwijzing, opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik” aan dat bij seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties de aangifte dient te worden opgenomen op geluidsband. In het onderhavige geval was er in de telastegelegde periode naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een afhankelijk-heidsrelatie als bedoeld in genoemde beleidsregel. Verdachte was in het onderhavige geval wel de oom van het slachtoffer, het leeftijdsverschil tussen slachtoffer en verdachte - beiden toen erg jong - bedroeg echter slechts enkele jaren.
Zelfs indien er in het onderhavige geval wel sprake zou zijn van een afhankelijkheidsrelatie zou dit naar het oordeel van de rechtbank niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leiden. Immers niet is gebleken dat deze beleidsregels door de politie niet in acht zijn genomen met het opzet om de rechten en de positie van verdachte in het onderhavige strafgeding te verkorten.
Openbare behandeling
In de periode van de aan verdachte onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten was verdachte minderjarig, zodat in beginsel het jeugdstrafrecht moet worden toegepast.
De voorts tenlastegelegde - door de rechtbank als 4, 5 en 6 genummerde - feiten vallen in de periode waarin verdachte meerderjarig was en verdachte zal hiervoor apart worden gevonnist.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 12 april 2007 en 5 juli 29007.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde, zal worden veroordeeld tot:
- een werkstraf voor de duur van 100 (éénhonderd) uur, subsidiair 50 dagen jeugddetentie;
- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 5.000,00 met de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding.
De tekst van de tenlastelegging luidt als volgt.
Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:
1.
hij op verschillende tijdstippen, althans een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 1 juli 1996 tot 13 juli 2000 te Tholen, in elk geval in Nederland, met [benadeelde partij] [voornaam], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij], hebben verdachte (telkens) zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de vagina van die [benadeelde partij] geduwd/gebracht;
art 244 Wetboek van Strafrecht
en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat
hij op verschillende tijdstippen, althans een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 1 juli 1996 tot 13 juli 2000 te Tholen, in elk geval in Nederland, met [benadeelde partij] [voornaam], geboren op 13 juli 1988, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (telkens) opzettelijk ontuchtig voelen/betasten aan/van de vagina van die [benadeelde partij];
art 247 lid 1 Wetboek van Strafrecht
2.
hij op verschillende tijdstippen, althans een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 13 juli 2000 tot 16 november 2000 te Tholen, in elk geval in Nederland, met [benadeelde partij] [voornaam], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij], hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de vagina van die [benadeelde partij] geduwd/gebracht;art 245 lid 1 Wetboek van Strafrecht;
en voor zover terzake van het onder 2 telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat
hij op verschillende tijdstippen, althans een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 13 juli 2000 tot 16 november 2000 te Tholen, in elk geval in Nederland, met [benadeelde partij] [voornaam], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het opzettelijk ontuchtig voelen/betasten van/aan de vagina van die [benadeelde partij];art 247 lid 1 Wetboek van Strafrecht
3
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 1999 te Tholen, in elk geval in Nederland [slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het opzettelijk ontuchtig voelen/betasten aan/van de vagina van die [slachtoffer];
art 247 lid 1 Wetboek van Strafrecht
Vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair en 2 subsidiair is telastegelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Als bewijs zijn er naast de aangifte onvoldoende aanwijzingen én zijn de afgelegde verklaringen niet specifiek genoeg om wettig en overtuigend te bewijzen dat genoemde tenlastegelegde handelingen ook na 1 juli 1996 hebben plaatsgevonden.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat:
1. hij op verschillende tijdstippen, gelegen in de periode van 1 juli 1996 tot 13 juli 2000 te Tholen, met [benadeelde partij] [voornaam], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij], hebben verdachte telkens zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [benadeelde partij] geduwd/gebracht;
3. hij in de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 1999 te Tholen, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum benadeelde partij], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het opzettelijk ontuchtig voelen/betasten aan/van de vagina van die [slachtoffer];
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.
1 primair: Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
3. Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
Motivering van de op te leggen sanctie[s]
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende:
- de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan;
- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich jarenlang veelvuldig schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van zijn nichtjes, met wie hij een leeftijdsverschil had van tussen de drie en acht jaar. Met name dit leeftijdsverschil maakte dat de nichtjes op de verzoeken van verdachte ingingen. Zij waren nog heel jong, zagen op tegen “hun grote neef” en durfden hem niet te weigeren als hij iets op seksueel gebied van hen verlangde. Verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn positie als “grote neef”. Daar waar het aanvankelijk seksuele verkenningen betrof liepen deze uiteindelijk uit op het herhaaldelijk seksueel binnendringen van de lichaam van één van de nichtjes.
Verdachte heeft met het plegen van deze feiten op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de slachtoffers. Ook al was verdachte zelf nog jong, hij wist op zijn minst dat hetgeen hij deed zeker niet was toegestaan.
Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van delicten als de onderhavige nog geruime tijd lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Dat is ook zeker het geval bij één van de slachtoffers in deze zaak, die nu, na zoveel jaren, nog steeds last heeft van onder meer paniekreacties, nachtmerries en belemmerd is om op normale wijze te functioneren.
Ook ter zitting is hiervan uit de emotionele slachtofferverklaring van één van de slachtoffers hiervan gebleken.
Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 20 december 2006 en
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 23 maart 2007 van de Stichting Reclassering Nederland, Regio Breda-Middelburg, unit Middelburg.
Verdachte is blijkens het documentatieregister niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. De feiten waarvoor verdachte thans wordt berecht zijn gepleegd in de adolescentieperiode en de kans op herhaling wordt door de Stichting Reclassering als lager dan gemiddeld ingeschat.
Alhoewel de rechtbank minder feiten bewezen heeft verklaard dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf recht doet aan alle omstandigheden.
De rechtbank acht derhalve een werkstraf van na te noemen duur passend en geboden.
Vordering tot schadevergoeding
[benadeelde partij], wonende te [adres benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het geding over deze strafzaak en heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade tot een bedrag van € 5.000,00.
Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafgeding. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in haar vordering en deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77gg, 22c, 22d, 244 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.
DE BESLISSING
De rechtbank beslist als volgt.
Zij verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Zij verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven heeft begaan.
Zij verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Zij bepaalt dat het onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.
Zij verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.
Zij legt aan de verdachte op een taakstraf, te weten:
een werkstraf voor de duur van 100 (éénhonderd) uren, met bevel dat indien de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht naar de maatstaf van twee uur per dag.
Zij verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te [adres benadeelde partij] niet ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Zij heft het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte op, zulks met onmiddellijke ingang.
Dit vonnis is gewezen door: mr. R.J.G. Lameijer, voorzitter-kinderrechter, mrs. I.J.M. Woltring en van M.A.V. van Aardenne, rechters, in tegenwoordigheid van J. Buijze, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juli 2007.
Mr. Van Aardenne is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.