ECLI:NL:RBMID:2007:BA3665
Rechtbank Middelburg
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek dochter tot verhoging levensonderhoudsbijdrage vader wegens onvoldoende draagkracht
De dochter vordert in kort geding dat de vader wordt veroordeeld tot betaling van een hogere bijdrage in haar levensonderhoud, primair € 500 per maand en subsidiair € 243 per maand, wegens acute geldnood en onvoldoende huidige bijdrage.
De vader betwist niet de behoefte van de dochter aan een hogere bijdrage, maar voert aan dat hij daartoe niet de draagkracht heeft, onderbouwd met een draagkrachtberekening. De rechtbank oordeelt dat voor toewijzing van de vordering in kort geding aannemelijk moet zijn dat in een bodemprocedure de vordering zal worden toegewezen, waarbij zowel de behoefte van de dochter als de draagkracht van de vader worden beoordeeld.
Omdat het niet eenvoudig is vast te stellen dat de vader voldoende draagkracht heeft voor een hogere bijdrage en nader onderzoek daarvoor nodig is, wat niet past in een kort geding, is het niet hoogstwaarschijnlijk dat de vordering in een bodemprocedure zal slagen. Daarom wijst de voorzieningenrechter de vordering af. De proceskosten worden gecompenseerd zodat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: De vordering van de dochter tot verhoging van de bijdrage in haar levensonderhoud wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van draagkracht van de vader.