ECLI:NL:RBMID:2006:AZ5774

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
24 maart 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/1407
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:88 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening bestuursrechtelijke uitspraak inzake UWV-besluiten

De rechtbank Middelburg behandelde een verzoek tot herziening van een uitspraak van 2 maart 1995, waarbij eerdere beroepen tegen besluiten van het bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen waren afgewezen. Verzoeker stelde dat nieuwe gegevens uit tuchtrechtelijke procedures tegen een aangewezen deskundige een andere beoordeling rechtvaardigden.

De rechtbank overwoog dat de nieuwe feiten en omstandigheden pas na de oorspronkelijke uitspraak hadden plaatsgevonden, waardoor niet werd voldaan aan de voorwaarden voor herziening zoals gesteld in artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Daarom werd het verzoek tot herziening als kennelijk ongegrond verklaard.

De rechtbank besloot het onderzoek te sluiten en sprak het vonnis uit in aanwezigheid van de griffier. Tevens werd gewezen op de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de onherroepelijke uitspraak wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten die aan de voorwaarden voor herziening voldoen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG
sector bestuursrecht
enkelvoudige kamer
____________________________________________
UITSPRAAK
met toepassing van artikel 8:54, eerste lid,
van de Algemene wet bestuursrecht
_____________________________________________
Reg.nr.: Awb 05/1407
Inzake: [verzoeker], wonende te Ouddorp, verzoeker,
tegen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
I. Procesverloop
Bij uitspraak van 2 maart 1995 heeft de rechtbank de beroepen van verzoeker tegen de besluiten van het bestuur der Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging (thans: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen) van 19 oktober 1993 (AAW/WAO 93/732) en 19 april 1994 (AAW/WAO 94/432) ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld, zodat genoemde uitspraak na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn onherroepelijk is geworden.
Bij verzoekschrift van 12 maart 2002 heeft verzoeker om herziening van de uitspraak van 2 maart 1995 verzocht. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.
Verzoeker heeft op 15 december 2005 opnieuw een verzoek tot herziening ingediend.
II. Overwegingen
1. De aanleiding voor het herzieningsverzoek is de klacht van verzoeker tegen de orthopedisch chirurg E.T. Schuijt, die in 1994 door de rechtbank als deskundige werd aangewezen. Volgens verzoeker heeft de op deze klacht gevolgde tuchtrechtelijke procedure - de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege Den Haag (beslissing van 12 oktober 2004) en bij het Centraal Tuchtcollege (beslissing van 10 november 2005) - nieuwe gegevens opgeleverd die een wezenlijk andere kijk geven op de gegevens zoals die ten tijde van de uitspraak van de rechtbank van 2 maart 1995 bekend waren.
2. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
3. Ingevolge 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de rechtbank op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
4. De rechtbank stelt vast dat de procedures bij het Regionaal Tuchtcollege en het Centraal Tuchtcollege plaatsvonden na de uitspraak van de rechtbank van 2 maart 1995. Derhalve is geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die reeds voor de uitspraak (2 maart 1995) hebben plaatsgevonden als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Hetgeen door verzoeker is aangevoerd kan dan ook niet leiden tot herziening van voornoemde uitspraak. Het herzieningsverzoek is aldus kennelijk ongegrond.
5. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het onderzoek met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb te sluiten en onmiddellijk uitspraak te doen.
III. Uitspraak
De Rechtbank Middelburg
verklaart het verzoek tot herziening ongegrond.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2006 door mr. G.H. Nomes, in tegenwoordigheid van mr. W.B. Smeenk, griffier.
Ingevolge artikel 8:55, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen deze uitspraak verzet doen bij de rechtbank. Het doen van verzet geschiedt door een gemotiveerd verzetschrift in te dienen bij de rechtbank binnen een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Afschrift verzonden op: