ECLI:NL:RBMID:2004:AR1110

Rechtbank Middelburg

Datum uitspraak
9 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04-1139
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.J.R.P. Verhoeven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 BWArt. 450b Wetboek van Koophandel
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid kantonrechter bij arbeidsongeval aan boord van schip

In deze zaak vordert partij A, werkzaam als kok aan boord van een schip, schadevergoeding wegens een arbeidsongeval dat hij op 8 augustus 2000 heeft opgelopen tijdens werkzaamheden op een motor-schip. Partij A baseert zijn vordering op een arbeidsovereenkomst met partij B, waarbij de werkzaamheden aan boord van het schip moesten worden verricht.

Partij B stelt dat de kantonrechter onbevoegd is omdat artikel 7:658 BW Pro niet van toepassing zou zijn op de arbeidsovereenkomst, aangezien partij A ten tijde van het ongeval als schepeling aan boord was, waardoor het Wetboek van Koophandel van toepassing zou zijn. Partij A bestrijdt dit en stelt dat hij niet als schepeling kan worden beschouwd omdat de arbeidsovereenkomst niet met een zeewerkgever is aangegaan.

De kantonrechter oordeelt dat het niet nodig is om te bepalen of partij A als schepeling moet worden aangemerkt. Uit de dagvaarding blijkt dat de vordering feitelijk is gebaseerd op het niet naleven door partij B van haar zorgplicht als goed werkgever, waardoor de vordering betrekkelijk is tot een arbeidsovereenkomst. Daarom is de kantonrechter bevoegd.

Daarnaast verleent de kantonrechter partij B verlof om in vrijwaring derden, waaronder de eigenaar van het schip en de P & I verzekeraar(s), te dagvaarden. De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor verdere behandeling van deze vrijwaringsvordering.

Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich bevoegd en wijst de vordering tot oproeping in vrijwaring toe.

Uitspraak

Rolnr: 04-1139
Uitspraak: 9 augustus 2004
Rechtbank Middelburg
Sector kanton - zitting te Middelburg
V O N N I S
in de zaak van:
[partij A]
wonende te [woonplaats partij A],
eisende partij in de hoofdzaak,
gedaagde partij in het incident,
verder te noemen: [partij A],
verschenen bij R. Duym,
t e g e n :
de besloten vennootschap [partij B],
gevestigd te [vestigingsplaats partij B],
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
verder te noemen: [partij B],
gemachtigde: R.Duym.
het verloop van de procedure
De procedure is als volgt verlopen:
- dagvaarding van 5 maart 2004,
- conclusies inzake bevoegdheidsincident,
- conclusies inzake vrijwaringsincident.
de beoordeling van de zaak
in het incident terzake de bevoegdheid:
1. In de hoofdzaak heeft [partij A] een vordering ingesteld op basis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst die partijen op 16 juni 2000 zijn aangegaan. Artikel 1 van Pro deze overeenkomst houdt in dat [partij A] tewerk werd gesteld in de functie van Kok en dat de verplichtingen uit die arbeidsovereenkomst dienden te worden uitgevoerd aan boord van het aan [derde B.V.] toebehorende motor-schip "[schip 1]".
2. Volgens [partij A] verrichtte hij werkzaamheden op het schip "[schip 2]", eveneens eigendom van [derde B.V.], en is hem op 8 augustus 2000 tijdens het verrichten van zijn werkzaamheden als kok aan boord van dat schip een ongeval overkomen waarvan hij schade heeft geleden. In hoofdzaak vordert [partij A] een verklaring voor recht dat [partij B] aansprakelijk is voor deze schade en veroordeling van [gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
3. In het incident vordert [partij B] dat de kantonrechter zich onbevoegd zal verklaren, omdat de vordering van [partij A] gebaseerd is op artikel 7: 658 Burgerlijk Wetboek, welke artikel op grond van art. 450b van het Wetboek van Koophandel niet van toepassing is op de arbeidsovereenkomst tussen partijen, nu [partij A] ten tijde van het ongeval een schepeling was aan boord van een schip.
[partij A]] heeft dit standpunt bestreden. Volgens hem kan hij niet als schepeling in de zin van het Wetboek van Koophandel worden beschouwd, nu de arbeidsovereenkomst er niet een is die is aangegaan met een zeewerkgever. [partij B] is immers geen zeewerkgever maar een werkgever die personeel uitzendt.
4. De kantonrechter overweegt dat de vraag of [partij A] al dan niet aangemerkt moet worden als een schepeling voor wat betreft de bevoegdheid van de kantonrechter in het midden kan blijven.
Uit de dagvaarding is duidelijk dat [partij A] [partij B] voor de betreffende schade aansprakelijk houdt omdat zij als werkgever onvoldoende voorzorgsmaatregelen had getroffen om het betreffende ongeval te voorkomen, zodat de vordering feitelijk als grondslag heeft dat [partij B] in strijd met haar rechtsplicht als een goed werkgever heeft nagelaten een voldoende veilige arbeidssituatie te scheppen, waardoor schade is ontstaan. Daarmee is de vordering er een betrekkelijk tot een arbeidsovereenkomst en is de Kantonrechter bevoegd.
5. [partij B] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident te worden veroordeeld.
in het vrijwaringsincident:
6. [partij B] heeft voor het geval de kantonrechter zich bevoegd zou verklaren gevorderd om in vrijwaring te mogen oproepen [derde B.V.], de eigenaar/manager van het schip waarop [partij A] tijdens het ongeval werkzaam was alsmede de nader te noemen P & I verzekeraar(s) van [derde B.V.]
[partij A] heeft zich met betrekking tot deze incidentele vordering gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.
7. De kantonrechter acht de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring van [derde B.V.] en genoemde verzekeraar (s) niet onrechtmatig of ongegrond, zodat deze kan worden toegewezen.
DE BESLISSING
De kantonrechter:
in het bevoegdheidsincident:
wijst de incidentele vordering af;
veroordeelt [partij B] in de kosten van het incident welke tot aan dit moment aan de zijde van [eisende partij in de hoofdzaak, gedaagde partij in het incident] worden begroot op € 250,-- wegens gemachtigdensalaris;
in het vrijwaringsincident:
verleent [partij B] verlof om in vrijwaring te doen dagvaarden [derde B.V.], gevestigd te Koedijk, kantoorhoudende te [adres derde B.V.] en de nader te noemen P & I verzekeraar(s) van [derde B.V.]
in de hoofdzaak en het vrijwaringsincident:
verwijst deze zaak naar de rolzitting van de sector kanton van deze rechtbank van 6 september 2004 opdat [derde B.V.] en de nader te noemen P & I verzekeraar(s) van [derde B.V.] in vrijwaring kunnen worden gedagvaard en opdat [partij B] in de hoofdzaak kan concluderen van antwoord;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R.P. Verhoeven, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 augustus 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.