ECLI:NL:RBMID:2003:AH9221
Rechtbank Middelburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dwangsom voor niet tijdig verwijderen strandpaviljoen ondanks vergunningstelsel
Bij besluit van 2 november 2000 legde het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland aan eiser een dwangsom op wegens het niet verwijderen van het strandpaviljoen na afloop van de vergunningperiode op 1 november 2000. Eiser had een standplaatsvergunning die geldig was tot 1 november 2000, waarna het paviljoen verwijderd diende te zijn. Eiser stelde dat er uitzicht was op legalisering van de jaarrond exploitatie, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet aannemelijk was omdat het gemeentelijke beleid en bestemmingsplan nog niet waren gewijzigd.
De rechtbank overwoog dat het bestuursorgaan bevoegd was tot handhaving en dat alleen in bijzondere gevallen van handhaving kan worden afgezien. Omdat geen concreet uitzicht bestond op legalisering binnen de periode van 1 november 2000 tot 15 maart 2001, was de dwangsom terecht opgelegd. Tevens werd geoordeeld dat verweerder terecht artikel 4:8 Awb Pro buiten toepassing had gelaten, omdat eiser zijn zienswijze al had kenbaar gemaakt in eerdere procedures.
Eiser voerde aan dat hij tijdig had verwijderd en dat het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard, maar de rechtbank verwierp dit. De voorlopige voorziening die de begunstigingstermijn verlengde, had geen bindende werking in de bodemprocedure. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het besluit tot oplegging van de dwangsom bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de dwangsomoplegging wegens het niet verwijderen van het strandpaviljoen wordt ongegrond verklaard.