ECLI:NL:RBMID:2001:AB2244
Rechtbank Middelburg
- Hoger beroep
- B.J.R.P. Verhoeven
- S.M.J. van Dijk
- N. van der Ploeg-Hogervorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aansprakelijkheid kind onder 14 jaar voor valse beschuldiging en proces-verbaal comparitie
In deze civiele procedure stond centraal de vraag of een dochter, die op twaalfjarige leeftijd een valse beschuldiging van seksueel misbruik tegen haar vader had geuit, civielrechtelijk aansprakelijk kon worden gehouden voor deze onrechtmatige daad. De vader had hoger beroep ingesteld tegen eerdere vonnissen van de kantonrechter, waarin onder meer werd geoordeeld dat de onrechtmatige daad niet aan het kind kon worden toegerekend vanwege haar leeftijd.
De rechtbank bevestigde dat volgens artikel 6:164 BW Pro een kind onder de veertien jaar niet aansprakelijk kan worden gesteld voor een onrechtmatige daad. Hierdoor kon geen verklaring voor recht worden gegeven dat het kind onrechtmatig had gehandeld. Tevens oordeelde de rechtbank dat het niet intrekken van de beschuldiging door het kind niet als onrechtmatig kon worden aangemerkt, mede omdat het kind destijds niet aansprakelijk was.
Daarnaast behandelde de rechtbank de klacht dat er geen proces-verbaal van de comparitie was opgemaakt. Hoewel het niet opmaken van het proces-verbaal onjuist was volgens artikel 19a Rv, was er geen belang bij herstel omdat dit geen invloed had gehad op de eindbeslissingen en het alsnog opmaken van een proces-verbaal zou leiden tot herhaling van de comparitie.
De rechtbank bekrachtigde de eerdere vonnissen en veroordeelde de appellant in de kosten van de procedure. De dochter had meerdere malen schriftelijk en mondeling verklaard dat haar beschuldigingen onjuist waren, wat door de rechtbank werd meegewogen.
Uitkomst: De rechtbank bekrachtigt de eerdere vonnissen en wijst de vorderingen van appellant af wegens niet-toerekenbaarheid van de onrechtmatige daad aan het kind onder 14 jaar.