ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG
meervoudige kamer voor strafzaken
Parketnummer: 12/015179-00
Datum uitspraak: 9 maart 2001
Tegenspraak
------------------------------------------------
Datum inverzekeringstelling: 3 juni 2000
Datum voorlopige hechtenis: 9 juni 2000
------------------------------------------------
van de arrondissementsrechtbank te Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren [geboortedatum + -plaats]
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier ten lande,
thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting De Torentijd te Middelburg.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. M.R. Kok, advocaat te Rotterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
22 en 23 februari 2001.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. J.J.A. Groen en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1., 2., 3. primair en 4. tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 jaar en 6 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting kenbaar gemaakt dat het openbaar ministerie voornemens is een vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht tegen de verdachte aanhangig te maken.
Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting van 8 december 2000 op vordering van de officier van justitie gewijzigd en de dagvaarding met gelijkluidend parketnummer, uitgereikt aan verdachte in persoon op 19 januari 2001.
De rechtbank heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen, van een doorlopende nummering voorzien. Zij zal die nummering in dit vonnis aanhouden.
Van de dagvaardingen en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit vonnis gevoegd.
Geldigheid inleidende dagvaarding.
De raadsman heeft betoogd dat de inleidende dagvaarding op de volgende twee onderdelen (gedeeltelijk) nietig is:
- het tenlastegelegde onder 1. 4de gedachtestreepje, inhoudende "het bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht van (een) perso(o)n(en)" ;
- het tenlastegelegde onder 2, de zinsnede (bovenaan op pagina 3) "en/of een of meer ander(e) perso(o)n(en) (van Shri Lankaanse nationaliteit althans afkomst) die hier ten lande wederrechtelijk hun verblijf had(den) (hoofdstukken 1, 3, 4, 5, 6, 8, 11, 12, 13, 14, 15)";
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat dit gedeelte van de tenlastelegging niet nader feitelijk is omschreven. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat de tenlastelegging onvoldoende duidelijk is nu daarin niet is vermeld om welke personen het gaat. Om die reden is, mede gelet op de omvang van het dossier, tegen dit onderdeel van de tenlastelegging geen verdediging te voeren.
De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Artikel 261 Wetboek van Strafvordering eist dat de tenlastelegging aan de verdachte voldoende duidelijk maakt wat hem wordt verweten opdat hij zich afdoende kan verweren. Hierbij is niet alleen de inhoud van de tenlastelegging van belang maar ook de verdere inhoud van het strafdossier, hoe omvangrijk ook.
Ten aanzien van feit 1 - deelname aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft misdrijven te plegen - is het voldoende indien de tenlastelegging deze misdrijven benoemt. Het is voor de beoordeling van dit feit niet nodig dat alle benoemde misdrijven feitelijk worden uitgewerkt omdat het verwijt niet inhoudt dat die misdrijven door verdachte zijn gepleegd, maar dat het oogmerk van de organisatie op het plegen daarvan was gericht.
Ten aanzien van feit 2 - het misdrijf van artikel 197a Wetboek van Strafrecht - heeft de officier van justitie voor wat betreft de feitelijke uitwerking deels gekozen voor het noemen van individueel aangeduide personen en deels (in de thans beoordeelde passage) voor een algemene aanduiding van personen met uitdrukkelijke verwijzing naar de diverse hoofdstukken in het dossier. Het zijn deze verwijzingen, die voor verdachte voldoende aanknopingspunten verschaffen om vast te stellen om welke personen (al dan niet bij name aan te duiden) het hier ging. De omvang van het dossier doet hier niets aan af.
Verdachte is derhalve op beide door hem aangevoerde punten niet in zijn verdediging geschaad. Zijn verweer wordt op die grond verworpen.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De raadsman heeft ter zake van het onder 1. en 2. tenlastegelegde een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging.
Hij heeft hiertoe aangevoerd dat artikel 197a Wetboek van Strafrecht strekt tot bescherming van het belang dat de overheid heeft bij het voeren van beleid voor wat betreft het verkrijgen van toegang tot of verblijf in Nederland of enig ander Schengen-land door natuurlijke personen. Dat belang heeft verdachte echter niet geschonden. Gelet op het feitencomplex waren verdachtes activiteiten immers gericht op het transporteren van personen van Sri Lanka naar het Verenigd Koninkrijk, zijnde een niet-Schengenland.
De rechtbank overweegt hierover het volgende.
In de tenlastelegging onder 2. wordt verdachte verweten dat hij, samen met anderen, uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of verblijven in Nederland of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen van personen van Sri Lankaanse nationaliteit althans afkomst, terwijl hij en zijn mededaders wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden dat die toegang of dat verblijf wederrechtelijk was.
De Nederlandse overheid heeft ten aanzien van vreemdelingen, die menen gegronde redenen te hebben om hun land van herkomst te verlaten om zich elders, waaronder Nederland, te vestigen, beleid ontwikkeld, kortweg te noemen "asielbeleid". Artikel 197a Wetboek van Strafrecht ziet op bescherming van het belang van dit asielbeleid, namelijk het voorkomen van illegaal verblijf van vreemdelingen. Handelen zoals aan verdachte tenlastegelegd ondermijnt dit asielbeleid. Kort gezegd komt het aan verdachte gemaakte verwijt erop neer dat hij diensten heeft verricht aan of ten behoeve van illegaal in Nederland verblijvende personen. Indien de feitelijke onderbouwing van dat verwijt bewezen wordt, geldt dat aldus het door artikel 197a Wetboek van Strafrecht beschermde belang wel degelijk is geschonden: de diensten van verdachte hebben het illegale verblijf - ook indien dat slechts zeer tijdelijk van aard was - namelijk gefaciliteerd en aldus het overheidsbeleid op dat punt doorkruist.
Het verweer wordt op deze grond verworpen.
Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gebleken of aannemelijk geworden, die tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zouden moeten leiden.
Het Openbaar Ministerie is derhalve ontvankelijk in zijn strafvervolging tegen de verdachte.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1., 2., 3. primair en 4. tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit vonnis deel uitmaakt.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.
De raadsman heeft betoogd dat het bewijs ten aanzien van het onder 3. primair tenlastegelegde onrechtmatig is verkregen en dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat voor fouillering van verdachte onvoldoende ernstige bezwaren bestonden zodat de bij die fouillering aangetroffen visa en later afgelegde verklaringen van verdachte niet voor het bewijs gebruikt mogen worden. De raadsman leidt zulks af uit het feit dat de betreffende opsporingsambtenaren in het door hen opgemaakte proces-verbaal (pagina's 3808 en 3809) de feiten die door hen eerst als een "redelijk vermoeden" van schuld worden aangemerkt vervolgens, zonder dat daaraan enig extra feit ten grondslag wordt gelegd, aanmerken als "ernstige bezwaren". Na de fouillering zijn voorts aan verdachte vragen gesteld zonder dat hem de cautie is gegeven, zulks hoewel verdachte toen als verdachte werd of moest worden aangemerkt.
De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Uit het proces-verbaal, P 030500.2000.2533/00-024820 (bladzijde 3807 e.v.) van de Koninklijke Marechaussee blijkt dat op 3 mei 2000 te 20.00 uur verdachte, als passagier van het in dat proces-verbaal genoemde voertuig op grond van verdenking van overtreding van artikel 416 Wetboek van Strafrecht is staande gehouden. Deze verdenking is gerezen na verstrekte informatie aan verbalisanten, zoals gerelateerd in voornoemd proces-verbaal.
Verdachte is vervolgens naar zijn identiteit gevraagd. Verdachte overhandigde daarop aan verbalisant Roozemond een geldig Nederlands rijbewijs op naam gesteld van [naam]. De verbalisant zag dat de op het rijbewijs aangebrachte foto niet overeen kwam met het gelaat van de verdachte. Verbalisant vroeg daarop naar de personalia van verdachte. Verdachte antwoordde dat hij de persoon was die op het rijbewijs werd vermeld. Verdachte werd vervolgens aangehouden op verdenking van onder meer heling en het opgeven van een valse naam.
Ingevolge artikel 56 Wetboek van Strafvordering waren verbalisanten bevoegd om verdachte aan zijn kleding te onderzoeken indien sprake was van "ernstige bezwaren". De omstandigheid dat vermoedelijk een valse naam werd opgegeven in combinatie met de eerder door verbalisanten ontvangen informatie over mogelijke betrokkenheid van verdachte bij heling van reisdocumenten maakten dat ernstige bezwaren in de zin van voormeld wetsartikel bestonden. Op die grond mochten verbalisanten overgaan tot onderzoek aan de kleding aan verdachte. Het verweer stuit daarop af.
Na het aantreffen van de enveloppe met visa hebben verbalisanten aan verdachte gevraagd wat zich daarin bevond. Verdachte antwoordde dat het wat papier betrof.
Uit het voormelde proces-verbaal blijkt niet dat aan verdachte voorafgaande aan die vraag de mededeling van het tweede lid van artikel 29 Wetboek van Strafvordering is gedaan. Omdat verdachte reeds als zodanig was aangemerkt had deze cautie wel moeten worden gegeven. Door het achterwege laten daarvan is verdachte echter niet in zijn belangen geschaad, reeds omdat de rechtbank het gegeven antwoord niet voor het bewijs gebruikt. Bewijsuitsluiting of enige andere sanctie kan op die grond achterwege blijven. Het verweer wordt op deze grond verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.
1. Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, strafbaar gesteld bij artikel 140, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.
2. Uit gewoonte een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot of verblijven in Nederland of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat die toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd,
strafbaar gesteld bij artikel 197a derde lid van het Wetboek van Strafrecht, in verbinding met artikel 197a eerste lid van dat Wetboek.
3.primair Medeplegen van opzetheling, strafbaar gesteld bij artikel 416, lid 1 aanhef en onder a van het Wetboek van Strafrecht.
4. Medeplegen van het in het bezit zijn van een reisdocument, terwijl hij weet dat het vals of vervalst is, meermalen gepleegd,
strafbaar gesteld bij artikel 231, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering van de op te leggen sanctie
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende:
- de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan;
- de persoon van de verdachte.
Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte is, in georganiseerd verband, tachtig vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel voor Nederland behulpzaam geweest bij hun verblijf in Nederland. Dat deze vreemdelingen geen geldige verblijfstitel hadden wist verdachte telkens. Zijn hulp bestond in het bijzonder uit het verschaffen van onderdak door anderen en door verdachte zelf alsmede het organiseren van (verder) vervoer vanuit Nederland naar Groot-Brittannië. Ten behoeve van die activiteiten onderhield hij contacten met de medeverdachten.
Via de medeverdachten [naam medeverdachte 1,2 en 3] werden busreizen georganiseerd naar Groot-Britannië. Teneinde de kans op onbelemmerde doorgang bij (grens)controles te vergroten werden de vreemdelingen bij een deel van de bewezen verklaarde reizen voorzien van aan anderen toebehorende paspoorten. Het was [medeverdachte 3] die de paspoorten verstrekte, maar verdachte die aan hem (middels [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1]) pasfoto's ter beschikking liet stellen van de te vervoeren vreemdelingen. [medeverdachte 3] vergeleek de op die paspoorten aanwezige foto's met de aan hem ter beschikking gestelde pasfoto's van de te vervoeren vreemdelingen, waarna hij de vreemdelingen op gelijkenis selecteerde. Verdachte leverde de illegale vreemdelingen ten behoeve van deze bustochten aan en heeft door zijn handelwijze aan het valse gebruik van die paspoorten bijgedragen.
Door op de hiervoor omschreven wijze mee te werken aan illegaal verblijf van personen hier te lande heeft verdachte het belang dat de openbare orde heeft bij uitblijven van dergelijke medewerking geschonden. Dat belang is gelegen in de mogelijkheid voor de overheid om een gereguleerd asielbeleid te kunnen voeren. Die mogelijkheid wordt doorkruist indien personen, buiten de reguliere asielmogelijkheden om, feitelijk verblijf gaan houden in Nederland of een van de andere Schengen-staten. Die doorkruising frustreert aldus niet alleen het gewenste asielbeleid maar schept ook ernstige feitelijke ongelijkheid ten opzichte van hen die via de reguliere kanalen een asielverzoek doen maar wier asielverzoek wordt afgewezen.
Verdachte heeft de hiervoor bedoelde medewerking in georganiseerd verband verleend. Hij regelde de organisatie van het vervoer en verleende feitelijke assistentie bij de uitvoering daarvan. Ook droeg hij zorg voor onderdak. Hij was het ook die samen met zijn mededaders [mededader 1] en/of [mededader 2] de illegale vreemdelingen aanleverde aan de uitvoerders van het vervoer. Door aldus in georganiseerd verband te werken is het belang dat de openbare orde heeft bij het niet actief zijn van criminele organisaties geschaad. De openbare orde heeft daarbij belang omdat de ervaring leert dat het werken in crimineel georganiseerd verband het plegen van misdrijven - ook binnen de organisatie zelf - bevordert en faciliteert.
Verdachte heeft zijn diensten verleend om daarmee zelf extra inkomen te verwerven. Aldus is door hem uit winstbejag gehandeld. Het handelen uit winstbejag vergroot het risico dat de belangen van de illegale vreemdelingen -in het bijzonder die op menswaardige behandeling- ondergeschikt worden gemaakt aan het belang bij winst. Dat risico heeft zich in het geval van verdachte meerdere malen verwezenlijkt. Van de op 25 maart 2000 in Calais ontdekte 11 illegale vreemdelingen (hoofdstuk 5) waren er 5 in opdracht van verdachte met de betreffende busreis meegezonden door [medeverdachte 1]. Alle 11 vreemdelingen, waaronder derhalve deze 5, zijn aangetroffen in de laadruimte van de bus. De temperatuur in die laadruimte was inmiddels gevaarlijk hoog opgelopen en het stonk aanmerkelijk in die ruimte. De vreemdelingen in kwestie waren geen van allen voorzien van een reisdocument. De hiervoor beschreven methode van het verschaffen van look-a-like-paspoorten was kennelijk toen niet toegepast. Dat betekent dat verdachte moet hebben geweten dat, op zijn minst, de kans bestond dat de vreemdelingen buiten het zicht van eventuele grens- of bootcontrole moesten blijven en dus in de laadruimte van de bus terecht konden komen. Voorts is het vele malen voorgekomen dat illegale vreemdelingen in de kofferbak van een auto werden vervoerd. Deze personen lagen daarbij dicht opeen gepakt. Dat vervoer kan als mensonwaardig en gevaarlijk worden aangemerkt.
De rechtbank rekent het verdachte voorts streng aan dat hij ten behoeve van de illegale vreemdelingen paspoorten ter beschikking heeft doen stellen. Die paspoorten kon verdachte middels de kennelijk speciaal daartoe gerecruteerde medeverdachte [medeverdachte 3], laten wegnemen uit het kantoor van de werkgever van die [medeverdachte 3]. Aldus heeft verdachte eraan meegewerkt dat het vertrouwen dat het reisbureau in [medeverdachte 3] mocht stellen ernstig werd geschonden. Daarenboven heeft hij eraan meegewerkt dat het vertrouwen van de klanten van dat reisbureau werd geschonden. Die klanten immers hadden hun paspoort slechts afgegeven omdat zulks nodig was om de formaliteiten voor hun eigen reis (in het bijzonder: een visum) in orde te maken. Zij mochten erop vertrouwen dat van hun paspoort intussen geen vals gebruik gemaakt zou worden. Tot slot heeft hij door zijn handelwijze eraan meegewerkt dat het algemeen vertrouwen in de betrouwbaarheid van het paspoort geschonden werd. Dat document strekt er immers toe te bewijzen dat degene die het gebruikt om zich te legitimeren daadwerkelijk degene is die de aan het paspoort verbonden reisfaciliteiten geniet en daarvan was bij de door verdachte geregelde reizen geen sprake.
De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte in de criminele organisatie een belangrijke uitvoerende rol speelde. Hij was de schakel tussen de organisatoren van de mensensmokkel in Nederland en de feitelijke organisatoren van de doorvoer vanuit Nederland. Hij behoorde tot het middenkader.
Verdachte heeft zich langdurig (1996 - 2000) bezig gehouden met, kort gezegd, mensensmokkel. Hij heeft zich daarmee ook intensief bezig gehouden: de rechtbank acht 80 gevallen van mensensmokkel bewezen. Door deze langdurige en intensieve activiteiten heeft verdachte de rechtsorde ernstig ondermijnd.
Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank ermee rekening dat van grote winsten van verdachte ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten niet is gebleken.
Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 6 november 2000;
- het over de verdachte uitgebrachte vroeghulprapport d.d. 6 juni 2000 van de Stichting Reclassering Nederland, Ressort Den Haag, unit Middelburg;
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 14 februari 2001 van de Stichting Reclassering Nederland, Ressort Den Haag, unit Middelburg.
Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat na te noemen straf passend en geboden is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De rechtbank heeft, behalve op voormelde artikelen, gelet op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.
verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1., 2., 3. primair en 4. tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.
Zij verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders te laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Zij bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.
Zij verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.
Zij veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.
Zij beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.P.M. ter Berg, voorzitter,
mrs. G.H. Nomes en A.M.P. Gaakeer, rechters,
in tegenwoordigheid van V.R.G.D. Boel, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 maart 2001.