ECLI:NL:RBMID:2000:AA8426
Rechtbank Middelburg
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.P.M. ter Berg
- A. van Wamel
- E.P. Jansen
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs doodslag pasgeboren kind
De rechtbank Middelburg behandelde de zaak van verdachte die werd verdacht van het doden van haar pasgeboren kind door het dichtknijpen van de keel. Hoewel er aanwijzingen waren dat verdachte in de nacht van 9 op 10 mei 2000 was bevallen, waaronder bloedsporen in haar woning en getuigenverklaringen over haar zwangerschap, was het bewijs voor het doden van het kind niet overtuigend.
Verdachte gaf wisselende verklaringen over de wijze waarop het kind ter wereld kwam en wat er daarna gebeurde. Zij ontkende aanvankelijk het kind te hebben gedood en veranderde later haar verklaring. Ook haar verklaringen over de locatie waar het kind werd achtergelaten en de identiteit van de mogelijke vader waren inconsistent. Psychiatrisch onderzoek toonde dat verdachte beperkte verstandelijke vermogens heeft en mogelijk onder invloed was van een dissociatieve stoornis, wat haar betrouwbaarheid beïnvloedt.
Gezien deze omstandigheden en de inconsistenties in de verklaringen concludeert de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het kind heeft gedood. Daarom wordt zij vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten en wordt het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het doden van haar pasgeboren kind.