ECLI:NL:RBMAA:2011:BT2687
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken bewijs levend geboren baby’s bij beschuldiging kindermoord
De rechtbank Maastricht behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het doden van haar drie pasgeboren kinderen. Centraal stond de vraag of de baby's levend ter wereld waren gekomen, een vereiste om tot een bewezenverklaring van kindermoord of kinderdoodslag te komen. Diverse deskundigen brachten rapporten uit, maar kwamen niet tot een eenduidige conclusie over het leven van de baby's bij geboorte.
De rechtbank beoordeelde de deskundigheid van de betrokken forensisch pathologen en nam hun rapporten integraal mee. Hoewel één deskundige bloeduitstortingen zag die zouden duiden op leven en mogelijk wurging of smoring, vonden de andere deskundigen deze bevindingen onvoldoende overtuigend en wezen ze op postmortale verkleuringen. De rechtbank volgde deze kritische visie en verwierp de conclusies van de deskundige die het bewijs voor leven aannam.
De feiten werden uitgebreid onderzocht, inclusief het DNA-verwantschap en de omstandigheden van de vondst van de stoffelijke overschotten. Verdachte verklaarde de kinderen te hebben gebaard, maar er was geen bewijs dat zij levend waren geboren. De rechtbank oordeelde dat zonder bewijs van leven geen sprake kon zijn van het beroven van het leven en sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat niet wettig bewezen kan worden dat de pasgeboren baby's levend ter wereld zijn gekomen.