ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ7163
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.J. Hazen
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken van telastlegging in smaadzaak tegen ondernemer
De rechtbank Maastricht behandelde op 18 mei 2011 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van smaad door het verspreiden van een brief waarin de eer en goede naam van een ondernemer werd aangetast. De officier van justitie stelde dat de brief beschuldigingen bevatte zoals het niet betalen van schulden en het achterlaten van troep, wat volgens haar smaad opleverde.
De verdediging voerde aan dat verdachte niet zelf de brief had geschreven en dat de uitlatingen geen concrete, verwerpelijke gedragingen betroffen. Subsidiair werd gesteld dat verdachte ontslagen moest worden van rechtsvervolging op grond van artikel 261 lid 3 Sr Pro, omdat de uitlatingen waarheidsgetrouw waren en een algemeen belang dienden.
De rechtbank oordeelde dat het failliet gaan en het achterlaten van schulden geen concrete strafbare gedragingen zijn en dat de beschrijving van gevoelens van schuldeisers geen strafbare smaad oplevert. Ook de verwijzing naar troep in het pand was niet strafbaar gezien de omstandigheden. Het woord 'oplichter' werd gezien als een kwalificatie zonder concrete feitelijke grondslag.
Daarom was het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en sprak de politierechter verdachte vrij. Tevens werd de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van een concrete telastlegging in de smaadzaak.