ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ1616
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vordering tot handhaving concurrentie- en relatiebeding door dansschool
Partijen sloten een arbeidsovereenkomst met een concurrentie- en relatiebeding waarin werd bepaald dat de werknemer gedurende de arbeidsovereenkomst en drie jaar daarna geen gelijksoortig werk mocht verrichten binnen 15 kilometer van de werkgever. De werknemer begon na het einde van de arbeidsovereenkomst een eigen dansschool binnen het gebied en gaf zelf les, wat door de werkgever als overtreding werd gezien.
De werkgever vorderde in kort geding staking van de overtredingen en betaling van een boete en incassokosten. De werknemer voerde verweer en stelde onder meer dat het beding onduidelijk was en dat de termijn van drie jaar te lang was. De kantonrechter oordeelde dat de werknemer het beding overtrad en dat de werkgever spoedeisend belang had bij een voorlopige voorziening.
De kantonrechter wees de vordering tot staking van de overtreding toe onder verbeurte van een boete van €250 per dag, met een maximum van €50.000. De gevorderde boete tot en met januari 2010 en de buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen vanwege het voorlopige karakter van de uitspraak en onvoldoende onderbouwing. De reconventionele vordering tot beperking van het beding werd afgewezen. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt de gedaagde tot staking van de overtreding van het concurrentie- en relatiebeding onder verbeurte van een dwangsom en wijst de reconventionele vordering af.