ECLI:NL:RBMAA:2011:BP6707
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onrechtmatige staandehouding en fouillering bij drugsbezit
Op 16 maart 2010 werd verdachte aangehouden wegens het vermoedelijk bezit van heroïne en cocaïne. De politie voerde een controle uit na observaties in het kader van het project DOEN, waarbij verdachte zich verdacht gedroeg en een auto bestuurde die snel wegreed na het zien van een in burger geklede verbalisant.
De politierechter oordeelde dat de staandehouding en daaropvolgende aanhouding onrechtmatig waren, omdat er geen redelijk vermoeden van schuld bestond. De locatie was niet bekend als een plek met frequente drugshandel, en verdachte had geen direct contact met een bekende drugsgebruiker. Bovendien was de verbalisant niet herkenbaar als politieagent, waardoor het wegrijden niet als vlucht kon worden geïnterpreteerd.
Door deze onrechtmatigheid werd het bewijs verkregen bij de fouillering, waaronder het aantreffen van heroïne en cocaïne, uitgesloten. Zonder dit bewijs was er onvoldoende grond voor een veroordeling. De politierechter sprak verdachte vrij wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
De uitspraak benadrukt het belang van een objectief redelijk vermoeden van schuld bij staandehoudingen en de gevolgen van vormverzuimen bij het toepassen van dwangmiddelen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onrechtmatige staandehouding en onvoldoende bewijs.