ECLI:NL:RBMAA:2010:BN5495
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.H.M. Kuster
- A.J. Hazen
- M.C.A.E. van Binnebeke
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs ontuchtige handelingen met minderjarige
Verdachte werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarig meisje dat aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd. Het slachtoffer en haar ouders deden verklaringen over de vermeende feiten. De officier van justitie achtte deze verklaringen voldoende voor een bewezenverklaring, terwijl de verdediging twijfels uitte over de betrouwbaarheid en het ontbreken van aanvullend bewijs.
De rechtbank beoordeelde dat de verklaringen van het slachtoffer en haar ouders gebaseerd waren op dezelfde bron en dat er geen andere onafhankelijke bewijsmiddelen waren die de beschuldigingen ondersteunden. Er waren geen getuigen, medische verslagen of gedragsveranderingen die het misbruik bevestigden.
Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en recente jurisprudentie van de Hoge Raad oordeelde de rechtbank dat de verklaringen van het slachtoffer onvoldoende steun vonden in het overige bewijs. Hierdoor kon niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte ontuchtige handelingen had gepleegd.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Het vonnis werd uitgesproken door een meervoudige kamer van de rechtbank Maastricht op 30 augustus 2010.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van ontuchtige handelingen.