ECLI:NL:RBMAA:2009:BK6087
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorwaardelijke erkenning kind door biologische vader na toestemming aan ander
De man, biologische vader van het kind, verzocht de rechtbank om vervangende toestemming tot erkenning van zijn kind nadat de moeder aan haar partner toestemming had gegeven om het kind te erkennen. De moeder verleende deze toestemming terwijl de procedure van de man nog liep. De rechtbank oordeelt dat de door de moeder aan haar partner verleende toestemming slechts voorwaardelijk was zolang de rechtbank niet definitief had beslist over het verzoek van de man.
De rechtbank weegt het belang van de man bij erkenning zwaar, gezien zijn biologische vaderschap en eerdere betrokkenheid bij het kind. De moeder stelde dat het belang van het kind en haar gezinsleven met haar partner zwaarder woog, maar de rechtbank vindt dat er geen reëel risico is dat de erkenning door de man de emotionele en sociaalpsychologische ontwikkeling van het kind schaadt.
De erkenning door de partner van de moeder wordt als nietig verklaard omdat deze toestemming aan hem slechts voorwaardelijk was en de rechtbank de vervangende toestemming aan de man heeft verleend. Ook het gezamenlijk gezag van de moeder en haar partner wordt nietig verklaard. De rechtbank houdt de beslissing over een omgangsregeling aan in afwachting van advies van de Raad voor de Kinderbescherming.
Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming tot erkenning aan de biologische vader en verklaart de erkenning door de partner van de moeder en het gezamenlijk gezag nietig.