ECLI:NL:RBMAA:2009:BK3909
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering werknemer wegens onvoldoende bewijs voortzetting arbeidsovereenkomst
De werknemer vorderde een verklaring van recht en loonbetalingen van 28 juni 2006 tot een onbekend tijdstip, inclusief verstrekking van loonspecificaties vanaf mei 2000. De kern van het geschil betrof de vraag of tussen augustus en december 2003 een arbeidsovereenkomst bestond, ondanks het ontbreken van schriftelijke overeenkomsten en loonstroken.
Uit de feiten bleek dat de werknemer in die periode een eigen eenmanszaak dreef en geen schriftelijke arbeidsovereenkomst of loonstroken kon overleggen. Getuigenverklaringen waren tegenstrijdig en boden onvoldoende bewijs voor het verrichten van arbeid tegen loon in die periode. De werkgever betwistte de voortzetting van de arbeidsovereenkomst en stelde dat de keten van arbeidsovereenkomsten niet ononderbroken was.
De rechtbank oordeelde dat de werknemer niet had aangetoond dat hij in de betwiste periode arbeid verrichtte tegen loon, waardoor de arbeidsovereenkomst van rechtswege was geëindigd op 28 juni 2006. Ook de vordering tot verstrekking van oude loonspecificaties werd afgewezen wegens gebrek aan belang. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vorderingen werknemer worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van voortzetting arbeidsovereenkomst; werknemer veroordeeld in proceskosten.