Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMAA:2009:BI0963

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
8 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
315080 CV EXPL 08-10418
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 sub a WCKArt. 34 WCK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing Wet op het Consumentenkrediet bij creditcardschuld en beperking incassokosten

De zaak betreft een vordering van International Card Services B.V. (ICS) tegen een gedaagde inzake een debetsaldo op een creditcardrekening. De rechtbank Maastricht stelde vast dat gedurende de periode juni 2005 tot juli 2008 een voortdurend debetsaldo bestond en dat de gedaagde maandelijks minimaal het vereiste bedrag betaalde, maar het saldo niet volledig heeft afgelost.

ICS had betoogd dat het enkele feit dat het debetsaldo langer dan drie maanden bestond niet automatisch de Wet op het Consumentenkrediet (WCK) van toepassing maakt. De rechtbank oordeelde echter dat ICS niet binnen drie maanden na het ontstaan van het debetsaldo dit als een toerekenbare tekortkoming heeft aangemerkt en ook niet binnen dertig dagen de achterstand bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) heeft gemeld.

Door de door ICS gedoogde gespreide betalingen is feitelijk krediet verleend, waardoor de WCK van toepassing is. Op grond hiervan wees de rechtbank de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, BTW en deurwaarderskosten af, omdat artikel 34 WCK Pro het in rekening brengen van deze kosten verbiedt.

De rechtbank veroordeelde de gedaagde tot betaling van het openstaande saldo met rente, beperkt tot het maximaal toegestane percentage onder de WCK. Tevens werden de proceskosten ten laste van de gedaagde opgelegd en werd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het debetsaldo met rente, incassokosten worden afgewezen wegens toepassing WCK.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Kanton
Locatie Heerlen
zaakno: 315080 CV EXPL 08-10418
typ: YT
coll:
Vonnis van 8 april 2009
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid International Card Services B.V., h.o.d.n. Visa Card Services,
statutair gevestigd te Amsterdam, kantoor houdende te Diemen,
eisende partij, nader te noemen: ICS,
gemachtigden Jongejan Wisseborn, gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
wonende aan [adres],
gedaagde partij, nader te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.
VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE:
Naar aanleiding van het door de kantonrechter op 10 december 2008 gewezen tussenvonnis heeft ICS een akte genomen en daarbij producties overgelegd.
Vervolgens is vonnis bepaald waarvan de uitspraak is gesteld op heden.
MOTIVERING:
Uit de stellingen van ICS en uit de overgelegde producties is de kantonrechter gebleken dat er in elk geval gedurende de maanden juni 2005 tot en met juli 2008 sprake is geweest van een voortdurend debetsaldo van de rekening behorende bij de creditcard van [gedaagde] en dat [gedaagde] in ieder geval in de periode maart 2006 tot en met november 2007 maandelijks het minimaal te betalen bedrag heeft voldaan. Noch iedere afzonderlijke betaling noch het totaal van alle betalingen zijn voldoende geweest om het debetsaldo te converteren in een creditsaldo.
Het voorgaande, in samenhang bezien met:
- het bepaalde in artikel 1 sub a van Pro de Wet op het Consumentenkrediet (WCK);
- de overgelegde rekeningoverzichten waaruit blijkt dat, in tegenstelling tot wat ICS bij dagvaarding en bij akte heeft gesteld, [gedaagde] in de praktijk noch gehouden was tot volledige maandelijkse betaling van het debetsaldo -[gedaagde] werd immers iedere maand in de gelegenheid gesteld om een minimaal bedrag te betalen- noch gehouden was tot volledige betaling binnen drie maanden na het ontstaan van het debetsaldo;
- de datum van de ingebrekestelling (24 maart 2008);
- de datum van de registratie (week 17 van 2008) door ICS bij het BKR te Tiel,
leiden er toe dat ICS middels de door haar gedoogde gespreide betalingen een vorm van krediet heeft verleend waardoor op de onderhavige vordering de bepalingen van de WCK van toepassing zijn.
De stelling van ICS, dat het enkele feit dat een roodstand meer dan drie maanden duurt niet inhoudt dat daardoor automatisch de Wck van toepassing is, treft hier geen doel nu niet is gebleken dat ICS binnen drie maanden na het ontstaan van het debetsaldo dit uitdrukkelijk als een toerekenbare tekortkoming in de nakoming heeft behandeld en aangemerkt én binnen dertig dagen de achterstand -welke blijkens het overgelegde rekeningoverzicht al bestond vóór 8 juni 2005- of andere onregelmatigheden bij de terugbetaling heeft geregistreerd bij het BKR.
Gelet op het bepaalde in artikel 34 WCK Pro zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, de daarover gevorderde BTW en de deurwaarderskosten voor de betekening van het sommatie-exploot worden afgewezen, nu voormeld artikel het bedingen of in rekening brengen van deze kosten niet toestaat.
Met inachtneming van het vorenoverwogene komt de kantonrechter het overige gevorderde thans noch onrechtmatig noch ongegrond voor, zodat dit zal worden toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter het overeengekomen rentepercentage zal limiteren als nader in het dictum is bepaald.
UITSPRAAK:
De kantonrechter:
Veroordeelt [gedaagde] om aan ICS, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen de som van
€ 1.823,20, te vermeerderen met de overeengekomen rente, doch niet meer dan het ingevolge de Wck en het Besluit Kredietvergoeding maximaal toelaatbare percentage, over € 1.803,79 vanaf 8 november 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure tot aan dit vonnis aan de zijde van ICS begroot en gerezen op € 439,71 waarin begrepen € 201,00 griffierecht, € 150,00 salaris gemachtigde en € 88,71 explootkosten.
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Aldus gewezen door mr. P.H. Brandts, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.