3 Algemene opmerking
Dit vonnis bevat een aantal algemene overwegingen van de rechtbank. Deze overwegingen zijn gelijkluidend in de vonnissen van [naam verdachte 6] en de andere verdachten. De rechtbank acht het voor de begrijpelijkheid van de beslissingen noodzakelijk dat alle vonnissen van dezelfde uitgangspunten uitgaan. Dat betekent dat in het vonnis van deze verdachte passages kunnen voorkomen die betrekking hebben op verweren die niet door [naam verdachte 6] en/of zijn raadsman zijn gevoerd. De overweging is in dat geval ambtshalve, en om bovengenoemde reden, opgenomen.
4 De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
4.1.1 De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte 6] zich op 3 februari 2008 in Geleen heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag op [naam slachtoffer]. Wel acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte 6] die dag openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer], met dien verstande dat hij volgens de offcier van jusititie niet strafrechtelijk aansprakelijk is voor de dood van [naam slachtoffer]. Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft zij zich gebaseerd op het proces-verbaal van bevindingen en de verklaringen van [DV.], [M.], [F.], [V.] en [T.]. Voorts heeft de officier van justitie, met verwijzing naar jurisprudentie, gesteld dat [naam verdachte 6] de groep getalsmatig heeft versterkt, dat hij zich niet heeft gedistantieerd van de groep toen deze tot het plegen van geweld overging en dat hij in ieder geval een voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld, terwijl die bijdrage op zichzelf niet van gewelddadige aard was.
4.2 Het standpunt van de verdediging
4.2.1 De raadsman is van mening dat [naam verdachte 6] vrijgesproken dient te worden van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. Het primair tenlastegelegde heeft hij onbesproken gelaten, omdat de officier van justitie heeft gevorderd dat [naam verdachte 6] wordt vrijgesproken van dit feit.
4.2.2 Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman, met verwijzing naar de betreffende jurisprudentie, aangevoerd dat [naam verdachte 6] geen significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld en dat hij voorts geen tijd had zich te distantiëren, nu er in casu sprake was van een plotselinge geweldsexplosie die waarschijnlijk zeer kort heeft geduurd.
4.3 Vaststaande feiten
4.3.1 Op carnavalszondag 3 februari 2008 was [naam slachtoffer] in café [adres en naam cafe] . Hij was daar samen met zijn vriend [BV]. Zij speelden op één van de twee gokkasten die voor in het café staan . Ergens tussen 21.30 en 22.00 uur kwam een aantal personen als groep het café binnen , onder wie [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 7] , [naam medeverdachte 3] , [naam medeverdachte 4] , [naam medeverdachte 1] , [naam verdachte 6] en [naam medeverdachte 5] . Deze personen gingen na binnenkomst op verschillende plaatsen in het café zitten of staan. [naam medeverdachte 7] ging achter de tweede gokkast zitten en begon daarop te spelen.
4.3.2 Op enig moment ontstond wat wrijving tussen enerzijds [naam slachtoffer] en zijn vriend [BV] en anderzijds [naam medeverdachte 7], omdat [BV] op de knoppen van de gokkast van [naam medeverdachte 7] leunde en [naam slachtoffer] even daarna met de vlakke hand op die gokkast sloeg . [naam medeverdachte 3] en een ander lid van de bovenbedoelde groep hebben zich daarmee bemoeid. Dit heeft erin geresulteerd dat [naam slachtoffer] klappen heeft gekregen en buiten het café is geraakt (hierna ook genoemd: het eerste incident) . Dit gebeurde op het moment dat [naam slachtoffer] en [BV] op het punt stonden om naar huis te gaan. Er was al een taxi voor hen besteld.
4.3.3 [naam slachtoffer] is daarop opnieuw het café binnen gegaan. Hij wilde zich niet zomaar uit zijn stamkroeg laten zetten . Binnen is een kortdurende, heftige vechtpartij ontstaan, gericht tegen [naam slachtoffer] (hierna ook genoemd: het tweede incident). Een aantal van de hiervoor genoemde groep personen heeft aan de vechtpartij deelgenomen.
4.3.4 [naam medeverdachte 2] heeft [naam slachtoffer] geschopt en voorts heeft hij met een barkruk een slaande beweging in diens richting gemaakt .
4.3.5 [naam medeverdachte 3] heeft [naam slachtoffer] geslagen en geschopt .
4.3.6 Na de vechtpartij hebben de tot de groep behorende personen het café verlaten. [naam slachtoffer] heeft ernstig letsel opgelopen en is buiten kennis, liggend op de vloer van het café achtergebleven. Hij is naar het ziekenhuis vervoerd, daar behandeld (waaronder geopereerd), maar niet meer bij kennis gekomen. Op 16 februari 2008 is hij overleden .
4.3.7 De doodsoorzaak was een verscheuring van de onderste slagader van de kleine hersenen als gevolg van botsend geweld op het hoofd. Een dergelijke verscheuring kan alleen optreden indien het hoofd een plotselinge, krachtige, zijdelings draaiende beweging maakt . Verder had hij uitgebreide onderhuidse bloeduitstortingen op het hoofd in de schedelhuid, alsmede uitgebreide breuken in het dak van de oogkas rechts en een haarbreuk in de onderste delen van het voorhoofdsbot rechts en kleine breuken in het dak van de oogkas links. Al deze verwondingen waren ontstaan bij leven, ten gevolge van botsend geweld op het hoofd .
4.4 Het oordeel van de rechtbank
4.4.1 De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of en, zo ja, in welke mate [naam verdachte 6] betrokken is geweest bij de vechtpartij die [naam slachtoffer] fataal is geworden.
Hieraan voorafgaand eerst enkele opmerkingen.
4.4.2 In verschillende verklaringen zijn verdachten met een bepaalde naam aangeduid die achteraf niet de juiste naam bleek te zijn. Uit het onderzoek ter terechtzitting is daarover voor de rechtbank het volgende komen vast te staan.
4.4.3 De getuige [V.] spreekt in zijn verklaringen over een Molukse man die hij een beetje op de voetballer Ronaldinho vindt lijken (bij de rechter-commissaris omschreven als “Ronald de Jong” ). Bij fotoconfrontatie heeft hij de foto van [naam verdachte 6] aangewezen als degene die hij daarmee bedoelt . Voor de rechtbank staat daarmee vast dat waar Ronaldinho/Ronaldino staat geschreven, [naam verdachte 6] is bedoeld.
4.4.4 Een volgende algemene opmerking betreft de verklaringen van de getuige[T.]. Ter terechtzitting van 13 augustus 2008 is door verschillende raadslieden twijfel aan de betrouwbaarheid van deze getuige en zijn verklaringen uitgesproken. Dat heeft de rechtbank doen besluiten deze getuige zelf ter terechtzitting te ondervragen. De ondervraging van [T.] heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 9 oktober 2008. De rechtbank heeft hem enkele vragen gesteld ter opheldering van een aantal punten uit de verklaring die hij bij de rechter-commissaris had afgelegd. Voorts zijn de raadslieden in de gelegenheid gesteld aanvullende, nog niet eerder gestelde vragen aan [T.] te richten.
4.4.5 De rechtbank acht de verklaringen van [T.] betrouwbaar. De inhoud van de verklaringen is op hoofdlijnen consistent, hoewel er op details verschillen voorkomen in de verschillende verklaringen die [T.] inmiddels heeft afgelegd. Het voorkomen van verschillen brengt echter niet zonder meer mee dat [T.] verklaringen onbetrouwbaar zijn. Tijdsverloop, het telkens opnieuw moeten ophalen en vertellen van de desbetreffende herinnering en andere factoren zorgen er nu eenmaal voor dat een getuigenverklaring in de loop van de tijd verandert of verbleekt . Emotionele herinneringen kunnen bij herhaald ophalen daarentegen ook worden versterkt .
4.4.6 Raadslieden gaven als voorbeeld voor [T.s onbetrouwbaarheid onder meer dat hij zich bij de rechter-commissaris pas herinnerde dat [naam slachtoffer] op het podium was gevallen nadat mr. Heemskerk hem erop opmerkzaam had gemaakt dat andere getuigen daarover had verklaard. Dit is naar de overtuiging van de rechtbank echter geen aanwijzing dat [T.] maar wat verklaart. Een herinnering aan een gebeurtenis, die is weggezakt, kan worden opgeroepen doordat een ander aan die gebeurtenis refereert . Dat was in dit geval kennelijk aan de orde, hetgeen de verklaring van [T.] dus ook niet minder authentiek maakt.
4.4.7 Het oordeel dat de verklaringen van [T.] in het algemeen betrouwbaar zijn, leidt ertoe dat de rechtbank deze verklaringen voor het bewijs van de tenlastegelegde feiten kan gebruiken.
Medeplegen doodslag
4.4.8 Alle verdachten is primair ten laste gelegd dat zij zich hebben schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag. Nu de officier van justitie en de verdediging van mening verschillen over de exacte toedracht van het gebeuren, wordt naar het oordeel van de rechtbank een zwaar accent gelegd op het begrip ‘medeplegen’. Gelet hierop ligt het in de rede aan de hand van rechtspraak en literatuur enkele overwegingen te wijden aan dit begrip.
4.4.9 Van medeplegen van doodslag is sprake indien alle verdachten dit feit gezamenlijk hebben gepleegd. Deze vorm van daderschap is dezelfde als die van het individuele plegen: de medepleger wordt als dader bestraft.
4.4.10 Medeplegen veronderstelt een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachten. Die samenwerking is gericht op de totstandkoming van het strafbare feit. Aan de totstandkoming van dit feit dient de medepleger substantieel bij te dragen om als zodanig te kunnen worden aangemerkt .
4.4.11 Wat betreft het eerste onderdeel, de bewuste samenwerking, geldt het volgende. Niet nodig is dat de rollen van verdachten vóór het plegen van het delict in overleg worden verdeeld, bijvoorbeeld door het maken van een plan. Ook op het moment van het plegen van het feit kan een bewuste samenwerking ontstaan. Daarbij kan het om seconden gaan. Voldoende is een wederzijds begrijpen, ook zonder woorden, een op het moment van de handeling weten samen te werken tot hetzelfde resultaat. Bewuste samenwerking houdt in dat het opzet zowel op de samenwerking moet zijn gericht als op het resultaat van die samenwerking (het strafbare feit). Met andere woorden: er is een dubbel opzetvereiste. Over het opzet volgt hierna nog meer.
4.4.12 In de rechtspraak is de nadruk gaandeweg komen te liggen op het tweede onderdeel, de nauwe samenwerking of gezamenlijke uitvoering. Daarvoor is niet vereist dat alle medeplegers uitvoeringshandelingen plegen. Wel dient de samenwerking tussen hen intensief te zijn, om medeplegen te onderscheiden van medeplichtigheid. In het algemeen zijn de medeplegers ‘lijfelijk’ aanwezig op de plaats waar het strafbare feit gepleegd wordt, maar dat hoeft niet. Niet nodig is dat de medeplegers een vaste rolverdeling hebben. Het kan van toevallige omstandigheden afhangen wie welke handelingen verricht. Evenmin is nodig dat achteraf precies kan worden gereconstrueerd wie van de medeplegers welk onderdeel van het geheel voor zijn rekening heeft genomen . Van nauwe samenwerking kan sprake zijn, indien men zich, bijvoorbeeld, bij de feitelijke gedraging van de medepleger aansluit, de ander of anderen aanspoort of hen doelgericht getalsmatig versterkt. Maar ook niet ingrijpen, daar waar de situatie dit verlangt, of zich niet distantiëren door gelegenheid tot de gedragingen te bieden of daarbij behulpzaam te zijn, zijn elementen die de nauwe samenwerking of gezamenlijke uitvoering kunnen inkleuren.
4.4.13 Met betrekking tot het opzet merkt de rechtbank nog in het bijzonder op dat die uit de aard van de gedraging en de gevolgen daarvan kan worden afgeleid. Daarbij hoeft de handeling van de medepleger geen voorwaarde (‘conditio sine qua non’) te zijn voor het intreden van het strafrechtelijke gevolg. De bewustheid van de medepleger op hetgeen hij met de andere medepleger doet, mag worden afgeleid uit de kennis die hij op het moment van zijn gedraging – en niet achteraf, na het lezen van het dossier – bezat. Dit betekent dat, indien sprake is van een nauwe en volledige samenwerking, niet relevant is of – bijvoorbeeld in geval van een doodslag in vereniging – de medepleger al dan niet de uiteindelijke dood van het slachtoffer heeft bewerkstelligd.