AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Rechtbank Maastricht verklaart zich onbevoegd in uitleveringsverzoek aan Italië
De rechtbank Maastricht behandelde een verzoek tot uitlevering van een Italiaanse staatsburger aan Italië wegens deelname aan een criminele organisatie. Het verzoek was ingediend door het Ministerie van Justitie te Rome en betrof een strafrechtelijk onderzoek met een aanhoudingsbevel van de Italiaanse rechtbank.
Tijdens de zittingen was de opgeëiste persoon niet aanwezig, maar werd hij vertegenwoordigd door zijn raadsman. De officier van justitie adviseerde tot toelaatbaarheid van de uitlevering. De rechtbank stelde vast dat het verzoek betrekking had op een lopende procedure die sinds 12 mei 2004 onder de Overleveringswet valt, gebaseerd op het Europese Kaderbesluit van 13 juni 2002.
Omdat Italië de implementatie van het Kaderbesluit op 14 mei 2005 had voltooid, moest het verzoek volgens de rechtbank op grond van de Overleveringswet worden beoordeeld. Hierdoor was de rechtbank Maastricht niet bevoegd om over het verzoek te beslissen. De rechtbank hoefde daardoor niet in te gaan op de inhoudelijke verweren van de raadsman. De uitspraak werd gedaan op 24 november 2008, waarbij de beslissing tot gevangenhouding werd bevolen en terstond geschorst.
Uitkomst: De rechtbank Maastricht verklaart zich onbevoegd omdat het uitleveringsverzoek op grond van de Overleveringswet moet worden beoordeeld.
Uitspraak
Parketnummer: 03/702005-05
RECHTBANK MAASTRICHT
UITSPRAAK OMTRENT HET VERZOEK TOT UITLEVERING
De rechtbank Maastricht, meervoudige kamer belast met de behandeling van strafzaken;
Uitspraak van 24 november 2008 inzake het verzoek van 14 februari 2005 van het Ministerie van Justitie te Rome aan de Minister van Justitie te ‘s-Gravenhage, strekkende tot uitlevering aan Italië van de opgeëiste persoon:
[Naam opgeëiste persoon],
geboren op [Geboortegegevens opgeëiste persoon],
nationaliteit: Italiaans.
1. De procesgang
Ter zitting van 28 september 2005 en 10 november 2008 is de opgeëiste persoon, hierna te noemen [Naam opgeëiste persoon], niet verschenen. Zijn raadsman mr. D. Moszkowicz, advocaat te Maastricht, is op beide data ter zitting wel verschenen en heeft verklaard door zijn cliënt uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om hem te verdedigen.
De officier van justitie heeft zijn opvatting over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering gegeven en heeft een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank overgelegd. Hierbij wordt geadviseerd tot het toelaatbaar verklaren van de uitlevering.
De raadsman van [Naam opgeëiste persoon] is in de gelegenheid gesteld tot het maken van ter zake dienende opmerkingen omtrent het verzoek tot uitlevering en de in verband daarmee te nemen beslissingen.
De rechtbank heeft, op vordering van de officier van justitie, de beslissing tot gevangenhouding van [Naam opgeëiste persoon] bevolen en terstond geschorst.
Het onderzoek ter zitting is daarop gesloten en de uitspraak is bepaald op 24 november 2008.
2. De identiteit van de opgeëiste persoon
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [Naam opgeëiste persoon] de in het uitleveringsverzoek bedoelde persoon is en dat hij de Italiaanse nationaliteit bezit.
3. Het verzoek tot uitlevering en de overlegde stukken
Blijkens de tot de processtukken behorende brief van genoemd Ministerie van Justitie van Italië, van 14 februari 2005, is het verzoek tot uitlevering schriftelijk gedaan door rechtstreekse toezending aan de Minister van Justitie te ’s-Gravenhage.
Het betreffende verzoek is vervolgens door het Ministerie van Justitie doorgezonden aan de hoofdofficier van justitie in het arrondissement Maastricht, die dit verzoek op 25 maart 2005 heeft ontvangen.
De officier van justitie heeft vervolgens op 31 maart 2005 een vordering ter griffie ingediend houdende het in behandeling nemen van het verzoek tot uitlevering ex artikel 23, eerste lid, van de Uitleveringswet.
Het verzoek strekt tot vervolgingsuitlevering van [Naam opgeëiste persoon] aan Italië in verband met een strafrechtelijk onderzoek dat tegen hem is ingesteld voor het misdrijf deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Ter staving van het verzoek is onder meer overgelegd een afschrift van een Aanhoudingsbevel van het Tribunale di Reggio Calabria, Sezione dei giudici per le indagini preliminari d.d. 14 december 2004 met nummers [Nummers] met daarin opgenomen een overzicht van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, de tijd waarop en de plaats waar de feiten zijn begaan, hun wettelijke omschrijving en een verwijzing naar toepasselijke wetsbepalingen en een afschrift van die toepasselijke wetsbepalingen of een verklaring aangaande het toepasselijke recht.
4. De bevoegdheid van de rechtbank
De eerste vraag waarvoor de rechtbank zich geplaatst ziet, is de vraag of het onderhavige verzoek dient te worden beoordeeld op grond van de Uitleveringswet (UW), dan wel op grond van de Overleveringswet (OLW). Indien dat laatste het geval is, is de rechtbank Maastricht niet bevoegd over het verzoek te beslissen.
De rechtbank overweegt dienaangaande dat de OLW is gebaseerd op het Kaderbesluit van 13 juni 2002 (2002/584/JBZ). De OLW is op 12 mei 2004 in werking getreden. Het eerste lid van artikel 74 vanPro de OLW bepaalt in de aanhef onder andere dat de OLW in de relatie met de lidstaten van de Europese Unie in de plaats van de UW treedt. Volgens het tweede lid van artikel 74 OLWPro blijft het eerste lid van artikel 74 OLWPro buiten toepassing in relatie tot een andere lidstaat ‘voorzover en voorzolang’ die andere lidstaat niet de maatregelen heeft genomen die noodzakelijk zijn om aan dat ten grondslag ligt aan de overleveringsprocedure te voldoen.
In Italië is de implementatie van het Kaderbesluit in werking getreden op 14 mei 2005. De bestaande regelgeving verschaft geen expliciet uitsluitsel over de vraag of de UW van toepassing blijft op een lopende procedure op het moment dat beide Staten het Kaderbesluit geïmplementeerd hebben. De strikte bewoordingen van artikel 74, tweede lid, van de OLW ‘voorzover en voorzolang’ duiden er naar het oordeel van de rechtbank echter op dat de Nederlandse wetgever tussen lidstaten van de Europese Unie uitleveringsregelingen slechts gehandhaafd wilde zien, voor zover strikt noodzakelijk. Dit strookt ook met de doelstellingen van het Kaderbesluit, zoals onder andere verwoord in punt 5 van de considerans van het Kaderbesluit: een oplossing te vinden voor de complexiteit en het tijdverlies die inherent zijn aan de huidige uitleveringsprocedures.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat vanaf het moment dat ook in Italië de implementatie van het Kaderbesluit in werking is getreden, het verzoek tot uitlevering beoordeeld dient te worden op grond van de OLW. Te meer nu uit aanvullende stukken die vanuit Italië zijn ontvangen is gebleken dat de onderzoeksrechter van de rechtbank van Reggio Calabria op 25 mei 2005 Europese Aanhoudingsbevelen heeft doen uitgaan ten laste van (onder andere) [Naam opgeëiste persoon] en [Naam andere opgeëiste persoon]. De rechtbank concludeert hieruit dat ook de Italiaanse autoriteiten de overleveringsprocedure toegepast willen zien.
Dit alles overwegende komt de rechtbank daarom tot de slotsom dat zij in deze onbevoegd is. De rechtbank komt derhalve niet toe aan de bespreking van de verweren van de raadsman van [Naam opgeëiste persoon].
5. De beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wöretshofer, voorzitter, mr. C.M.J. van den Acker en mr. J.M.E. Kessels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Penders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van genoemde rechtbank op 24 november 2008.