ECLI:NL:RBMAA:2007:BB1811
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P.E.C.M. Dahmen
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter inzake hoofdverblijf en omgang minderjarige volgens Brussel II bis
De vrouw heeft bij de rechtbank Maastricht verzocht vast te stellen dat zij bevoegd is het kind onderwijs te laten volgen, omgang plaatsvindt met de man en het hoofdverblijf bij haar is. Partijen verschillen van mening over de gewone verblijfplaats van het kind, waarbij de vrouw stelt dat deze in Nederland is en de man verwijst naar voorlopige maatregelen in België.
De rechtbank overweegt dat de gewone verblijfplaats van het kind bepalend is voor de bevoegdheid en concludeert dat het kind sinds de geboorte feitelijk zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, bij de grootouders. De voorlopige maatregel van de Belgische rechtbank is een tijdelijke maatregel ex artikel 20 van Pro Brussel II bis en leidt niet tot wijziging van de feitelijke verblijfplaats.
De rechtbank wijst het beroep van de man op artikel 19 lid 2 van Pro Brussel II bis af, omdat er geen zaak ten gronde aanhangig is in België. De rechtbank verklaart zich bevoegd en stelt de verdere behandeling van de zaak uit tot een latere datum.
Uitkomst: De rechtbank Maastricht verklaart zich bevoegd om van het verzoek tot vaststelling van het hoofdverblijf en omgang kennis te nemen.